De man die met stokjes probeerde te eten en pas om een vork vroeg toen zijn eten al bijna koud was.

De vader van school die het alle dagen koud heeft op het schoolplein, want hij wil geen muts op, want hij draagt geen muts, want waar hij vandaan komt dragen ze geen muts, in Caïro draagt niemand een muts.

De vrouw die geniet van haar pensioen aan een Spaanse kust, in een stadje dat Cullera heet en waar ze eerst het hek nog wel mooi vond en passend bij de omgeving, en Spaans, maar dat haar nu doet denken aan het hek van de begraafplaats waar haar vader ligt, in Winterswijk.

Het jongetje dat Haris heet en mijn zoontje op het schoolplein ziet drinken uit een fles, heel lang want hij drinkt veel te weinig als hij op school is, en vraagt hoe oud hij is, maar mijn zoontje moet eerst drinken, heel veel drinken, en zijn moeder, met hoofddoek, trekt hem mee, en Haris zegt dan zelf maar, vlak voor hij wegloopt: Ik ben zes.

De barman in Nieuw Zeeland die over zijn bar leunt en naar de zee keek bij Brownsbay, op de Northshore, en zucht als er een klant zijn lunchroom binnenkomt, want hij wil even nog naar de rimpelloze zee kijken, en nu wordt alles verstoord, de zee, de lucht, beweging en geluiden.

De eigenaar van een ijzerwinkel in Buenos Aires die me een meetlint wilde verkopen, of een moersleutel, of beugels, of een doosje kruiskopschroeven, allemaal spullen die ijzerwinkels in Nederland ook verkopen, maar ik wil met hem praten over de Argentijnse die in mijn land met onze aanstaande koning gaat trouwen, en de man zegt: Zij is niet een van ons.

De jongen op de lagere school die aan Atari-spelcomputer had, hij stond voor de tv, en iedereen ging bij hem spelen, en zijn Surinaamse moeder keek er van op, zijn twee broertjes keken er van op, zijn oudere zus keek er van op, iedere dag kwamen we daar spelen; hij had een Atari-spelcomputer.

De snackbar waar drie broers iedere dag werken, iedere dag van de ochtend tot sluitingstijd, vlak voor middernacht, en waar ze snoepjes geven aan alle kinderen uit de buurt, ook aan mijn blonde dochter, ook nu wij er al drie jaar niet meer wonen.

De Indische schrijfster die woorden probeert te vinden voor wat haar en haar zus is overkomen, woorden die heel lang verborgen waren maar er uiteindelijk toch kwamen, op papier, omdat ze dit verhaal moest vertellen en ze dat alleen kon toen het moment daar was.

De komiek die een verhaal moest voorlezen, over hem en zijn familie, en dat deed in een theater in de Bijlmer, een verhaal dat vanaf het eerste woord niet grappig was, maar wel iedereen in het zaaltje raakte, ook de mensen die met bussen vanaf het Leidseplein naar de Bijlmer waren gereden, het Amsterdamse theaterpubliek dat daardoor niet de metro in hoefde, en de man en vrouw die tegen de zijmuur van het theater hun fietsen hadden neergezet.

Mijn twee ooms die in Nieuw Guinea rondliepen, in een uniform, en daar nooit over spraken, ook niet toen die geschiedenis langzaam meer gezicht kreeg, ze zijn inmiddels allebei overleden, en met hen de verhalen.

De vrouw in New York die iedereen gedag zei en de bar verliet, en onze gastheer waar we die week overnachtten die ons toebeet dat we haar moesten volgen naar haar auto, maar niet te opzichtig, want schaduwen mag niet en te veel afstand houden heeft geen zin, en naast haar lopen mag ook niet, want dan zou het een date zijn, dus we waren opgelucht dat ze haar auto veilig bereikte en ze naar huis kon rijden, ergens in Brooklyn, en wij terug naar onze biertjes konden.

De student uit Groningen die over het spoor liep ’s nachts, want dat was de kortste weg terug naar huis, zoals dat voor mijn klasgenootje die in Hardinxveld woonde, ook de kortste weg was.

Mijn vriend uit Kongo die, als we elkaar spreken, ongeacht waar het over gaat, me wel recht in mijn ogen durft te kijken.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen