Het vliegtuig zat helemaal vol. De bagagevakken waren allemaal vol. Ik propte mijn tas onder de stoel.
Tijdens het wachten bij de gate laadde ik mijn telefoon op. Het was ruim twee uur vliegen, ik wilde wat schrijven in de notities op mijn telefoon. We gingen het vliegtuig in. Voor ons liep een groot gezin in traditionele Joodse kleren. Kinderen, volwassenen, een opa. Die week was er ergens een vlucht vertraagd omdat een Joodse vrouw geweigerd had naast een man te gaan zitten. Ik zat ergens op de middelste stoel in een rijtje van drie dus de kans dat een Joodse vrouw naast mij moest zitten was twee keer zo groot als wanneer ik aan het raam of aan het gangpad had gezeten.
Ik ben altijd bang voor orthodoxen. Je kunt er geen contact mee maken. Nu moet iedereen doen wat-ie niet laten kan en hoef je geen contact te maken, de zekerheid dat een ander totaal onbenaderbaar is en zelfs bij het kleinste contact – even iets zeggen omdat je nu eenmaal achter elkaar in de rij voor een vliegtuig staat en je samen hetzelfde gaat doen en je elkaar dan soms kunt helpen – je totaal zal negeren maakt me altijd bang.
Een muur die altijd om de eigen gemeenschap heen opgetrokken is, dat staat ver af van de openheid en nieuwsgierigheid die mij en mijn voetbalvrienden doen afreizen naar onbekende steden door heel Europa, in dit geval Kiev. Gewoon een beetje rondkijken, voetballen, wat kletsen met de spelers van een lokaal team, de stad in gaan. Nergens zullen wij de muur optrekken, als orthodoxen.
Er zaten geen Joodse vrouwen op stoel D en F van mijn rij. Wel een Oekraïense jongen die al voor het opstijgen in slaap viel tegen het luikje en een man die zijn ogen wel dicht had maar niet sliep, dat voelde ik. Hij was te nerveus om te slapen.
Ik las een sterk boek van Donald Ray Pollock. Ik moest nog een inleiding schrijven over fysiek proza en Pollock biedt dat: goed verteld vlot beschrijvend zintuiglijk proza in de derde persoon verleden tijd waarbij de lezer niet enkel op rationeel niveau bediend wordt maar waarin vooral ruimte gelaten wordt om de beschrijvingen in je hoofd af te maken zodat je als lezer het verhaal kunt begrijpen én kunt voelen. Typisch voor fysiek proza.
Ik las een paar hoofdstukken, ingeklemd tussen slapende mannen die ook niet veel contact maakten, behalve toen er wat te drinken kwam en ik het bekertje doorgaf en toen de rechterman zijn telefoon op mijn schoen liet vallen. Ze zeiden allebei kort dankjewel. Ze zeiden in ieder geval iets.
Boven de graanvelden vlak voor Kiev dacht ik aan de vlag van Oekraïne. Blauw met geel. De lucht en graanvelden. Het was bewolkt maar verder klopte het.
Het is fijn naar een land te gaan waar je niks van weet. Een land dat in de kranten wordt neergezet door opstanden, de kleur oranje, schandalen, een vreselijke vliegramp waar nooit een opheldering over zal komen. Ik zag graanvelden. Witte huizen. Bossen. Ruimte.
Kiev kent vooral woonblokken. Indrukwekkend grote logge woonblokken. Het is een typische Oost-Europese stad: groot, oud, druk, chaotisch, verrassend. De mensen ogen eng en afstandelijk maar zijn vriendelijk en gezellig. En de kerken hebben gouden daken.
Er is totaal geen agressie op straat, dat viel ook op. Het opgefokte van veel steden in het westen mis je hier niet.
We dronken bier en wodka in verschillende barretjes tot we bij een oesterbar kwamen. Dat vond ik geweldig. Druk, leuke muziek, schalen inktvis en oesters en garnalen. Erg lekker, vooral de inktvis. Een snackbar, maar dan met vis.
Een fancy discotheek kwamen we niet in. Vol. We stonden te wachten tot er wat mensen naar buiten kwamen. No no full, zei de portier. Er veranderde niks. Nieuw volk dat aan kwam lopen mocht wel naar binnen. Ongewenst dus. Het was alsof ik weer voor de Roxy stond, dertig jaar geleden.
Het doel van de reis: voetballen. Een veldje opzoeken ergens in een buitenwijk en spelen tegen wat locals die daarna doen wat voetballers overal op de wereld doen: samen in de kantine nog wat drinken en eten en kletsen en lachen.
Contact maken, dat is het. Het levert keer op keer weer geweldige avonden op. Dit keer bij een team van artsen die aan het wereldkampioenschap voor medici mee hadden gedaan en vijfde waren geworden. Het was een goeie ploeg. In de laatste minuut maakten wij de winnende goal. Natuurlijk zijn we geen medici, we wilden met voetbal niet verliezen van een paar artsen.
We kregen een gouden beker en iedereen een gouden medaille.
Als je dan bij elkaar aan tafel zit, met bier en schalen gebraden worst en friet, dan komen de vragen over ons land, over Oekraïne, over ons leven, hun leven.
Niet je als groep afzonderen met je eigen gewoonten en kleding en wat voor dogma’s dan ook die je uiteindelijk alleen doen staan, maar elkaar opzoeken en in hoekig Engels proberen te communiceren en zo dichter bij elkaar komen. Dat klinkt stichtelijk, het is goud. Voetballen en shirtjes ruilen. Blije gezichten.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen