Vorige week werd bekend dat vrouwen mee mogen voetballen bij de mannen, in officiële wedstrijden, in gewone competities. Dat is heel goed nieuws, want dat is de enige manier om vrouwenvoetbal beter en de speelsters sterker te maken. Een vrouw in Friesland deed een proef. Ze is negentien en speelt al haar hele leven met haar vrienden bij vv Foarut, ook in het tweede elftal en ze mag nu dus in het eerste elftal van deze club spelen. Nu speelt vv Foarut in de onderste regionen van de vierde klasse in het noorden, en het tweede elftal speelt in de reserve vierde klasse, dus een bijzonder hoog niveau is het niet (ter vergelijking: op mijn vijfenveertigste speelde ik nog reserve derde klasse), maar voor deze speelster wel een mooie kans om een niveau te spelen waar ze beter kan worden.

Bij mijn club, waar ongeveer evenveel mannen als vrouwen lid zijn, mixen we al een eeuwigheid, vooral in de zomer als de competities stil liggen. Het niveauverschil maakt niet uit, als je bij het indelen van de teams maar rekening houdt met de aantallen, bijvoorbeeld in ieder team evenveel vrouwen en veteranen van boven de zestig. Dan gaat het prima. De vrouwen worden betrokken in het spel en als ze fouten maken wordt dat direct afgestraft, iets wat bij vrouwenvoetbal onderling zelfs in de vrouweneredivisie niet logisch is. En zoals je bij een veteraan van zeventig niet vol doorgaat in een duel doe je dat bij vrouwen ook niet. We laten ze meedoen, maar ze staan ook steeds onder druk. De vrouwen die meedoen vinden het even uitdagend als geweldig.

Nu speelt het eerste mannenelftal van mijn club al jaren bovenaan in de derde klasse en het tweede team speelt na twee promoties eerste klasse. Er is geen vrouw bij de club te vinden die op dat niveau mee kan, maar als de vrouwen van de selectie bij teams mee kunnen doen waar ze meer weerstand krijgen dan in hun reguliere vrouwencompetitie dan worden ze snel betere voetballers. Dat is hard nodig, want het vrouwenvoetbal moet nog flink wat stappen maken. De aandacht is er, vrouwenvoetbal komt tegenwoordig op tv, soms zelfs live. Laatst zag ik een eredivisietopper tussen Ajax en Twente. Het tempo lag laag, er werden beginnersfouten gemaakt, vooral de keepers zijn abominabel en basistechnieken als aannemen en passen zijn bijzonder matig. Doelpunten ontstonden allemaal uit fouten die amateurs bij de mannen zelden maken. Ik turfde iedere keer als er drie opeenvolgende goeie passes afgeleverd werden, gewoon van de ene speelster naar de andere. Drie. De hele eerste helft bleef mijn turfblaadje leeg.

Nu speelden hier vrouwen tegen vrouwen, en het werd uitgezonden op tv, dus er werd gedaan alsof het allemaal heel wat was, je zou die speelsters een maandje trainen bij een goed amateur mannenselectie gunnen, gewoon om een idee te krijgen van tempo, handelingssnelheid, gebruik van de ruimte en techniek. Fysiek leggen de vrouwen het af, dat is geen probleem, maar die basisvaardigheden zijn te trainen.

Vreemd om te constateren, maar op het allerhoogste niveau bij het vrouwenvoetbal, zelfs op het WK voor vrouwen en in de Champions League, zie je nog veel blinde passes, foutjes bij eenvoudig inspelen, passes over de zijlijn, en keepers die gewoon blijven staan als er een hoge bal komt. Kijk bijvoorbeeld naar deze samenvatting van de halve finale, waarin Lieke Martens een mooie openingsgoal maakt. Let niet op Martens, let op haar tegenspeelster die bij de eerste bal (in het filmpje na 7 seconden) veel te ver doorloopt in een poging Martens te dekken en bij de tweede goal in de zestienmeter wandelt en Martens weer weg laat lopen. De rechtsback doet boos en claimt buitenspel, iets wat ze bij mannen gezien heeft, maar de fouten van deze nummer 12 van PSG zijn helaas typerend voor vrouwenvoetbal. Het grootste probleem is dat deze Franse verdedigster tijdens de wedstrijd, en daarna waarschijnlijk evenmin, op haar fouten wordt aangesproken. Iemand moet haar toch vertellen dat ze twee keer totaal verkeerd liep? Maar de focus is op Martens, die schiet deze cadeautjes er goed in, valt niks op af te dingen, maar ze speelt tegen een amateur. In de finale, afgelopen zondag, werd vooral in de eerste helft goed gespeeld, na twee doelpunten uit kolderiek geblunder volgden twee mooi uitgespeelde goals.

De club van Martens, Barcelona, werd met overmacht kampioen van Spanje. Alle 26 competitiewedstrijden werden gewonnen. Doelsaldo: 128 voor en vijf tegen. Zo’n club zou eigenlijk direct aan de Spaanse bond moeten vragen of ze een klasse hoger mogen spelen, maar die klasse is er dus niet. Of misschien toch wel: ergens bij de mannen. Ik zeg ‘ergens’, want als vrouwen tegen mannen spelen, dan is de verhouding ongeveer zo dat het wereldkampioensteam van Amerika het aflegt tegen een jongensteam van een plaatselijke club, jongens die nog geen vijftien zijn. Dat is geen toevalstreffer, die wedstrijden worden vaker gespeeld. Het nationale vrouwenteam van Australië verloor nog dikker van jongens van zestien. Zo liggen de verhoudingen.

Toen ik nog bij de velden van Swift woonde aan het Olympiaplein in Amsterdam keek ik vaak naar oefenwedstrijden tussen vertegenwoordigende Nederlands elftallen van de meisjes tegen jongens die een paar jaar jonger waren, gewoon een willekeurig clubteam. Meestal speelden 17-jarige meisjes tegen 14-jarige jongens. Dat waren mooie wedstrijden, en je zag aan de meisjes dat ze er echt van genoten, want deze speelsters, die er bij hun club ver bovenuit steken, moesten nu aan de bak.

Een verschil in leeftijd maar dan omgekeerd was tot een paar jaar terug ieder jaar te zien in de traditionele oud en nieuwwedstrijd bij mijn club waar het eerste damesteam (zo heette dat destijds, mooie naam) dat in de topklasse uitkomt, het hoogste amateurniveau van de vrouwen, het opnam tegen het oudste veteranenteam van de mannen, die allemaal tegen de zestig liepen, op een paar vijftigers na. Dat ging ongeveer gelijk op. Bij dat mannenteam hebben drie spelers inmiddels een nieuwe heup gekregen.

Die verhoudingen moeten naar elkaar toegeschoven worden wil vrouwenvoetbal zich ontwikkelen. De speelster in Friesland kan echt goed voetballen, als ze een balletje hooghoudt en trucjes doet, zoals bij de NOS te zien was. Als zij in een doorsnee vrouwenteam moet spelen loopt ze iedereen voorbij. Ze wil weerstand. Dat kan bij de mannen. Ik hoop in ieder geval dat een flink aantal vrouwen bij mijn club af en toe bij de mannen meedoen, bij de teams die bijvoorbeeld in de vierde klasse uitkomen. Daar wordt niet goed gevoetbald, maar wel ligt het tempo redelijk hoog, worden ploeggenoten gezocht, wordt er aardig vrijgelopen en rondgespeeld. Er zijn ook teams die in de vijfde en zesde klasse spelen, maar daar raakt de bal soms secondenlang de grond niet. Dat mag eigenlijk niet eens voetbal genoemd worden.

Ik weet niet hoe de vrouwen die bij de mannen meedoen ooit weer in een onderlinge vrouwencompetitie terecht kunnen komen. Daar heb ik nog niemand over gehoord, dat zal het uiteindelijke doel zijn. Voor nu is het een gouden kans dat vrouwen hun voetbal in competitieverband kunnen gaan verbeteren.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen