Je moet nooit schrijven dat je helemaal stuk zat, volgens de oude prozalessen moet je dat laten zien. Soms, echter, kun je niet anders.
Ik zat helemaal stuk.
Ik zeg het maar gewoon. Daarna val ik stil want ik weet niet hoe ik moet laten zien dat ik stuk zat. Ik heb geen beeld voor de vermoeidheid die het gezin waar ik uit moest stappen me gaf. Een dweil bij een open kraan, dat zou een slap beeld zijn. Het was geen kraan. Het was een dijkdoorbraak. Het was ook geen dweil, het was een papieren zakdoekje.
Ik weet wel dat ik ’s nachts een keer op de fiets zat en het heel erg koud was en ik op weg was naar het huis van de vriend waar ik kon wonen (duizend maal dank, Jan) en dat ik steeds om wilde keren, om terug te gaan, voor heel even. Dat deed ik niet, maar het gevoel terug te moeten gaan was er, en het was geen gedachte. Het was fysiek. Fietsen was fysiek, die trappen beklimmen zou fysiek zijn, dat laatste smalle trapje helemaal.
Ik trapte door, van dat huis vandaan. Ik had de sleutel niet meer.
Ik was moe maar tegelijk kon ik iedere nacht hard fietsen.
Ik heb geen beelden van de kinderen in die tijd, of misschien die ene keer dat ze bovenaan de trap stonden en ze allebei hun rugzakje om hadden en het mijn ex toch gelukt was ze aan te kleden, een broodje te laten eten met een bekertje drinken, en ze bijna naar school te brengen. Ik kwam thuis. Het was een doordeweekse avond, een doordeweekse nacht. Ik wilde die hele nacht niet naar huis. Ik kwam pas tegen half negen in de ochtend thuis. Ik had niet geslapen.
Wil jij ze misschien even naar school brengen? vroeg mijn ex.
Ik was niet moe van die nacht. Ik werd ’s nachts nooit moe, dat is een ander verhaal, maar toen ze dat zei was ik wel heel erg moe.
Ik weet nog wel hoe het huis eruit zag. Ik legde er een plankenvloer in toen we er gingen wonen, en die vloer ligt er nog. Ik schrijf over dat huis, over mijn vertrek de trappen af, en over de jaren die volgden, en vaak komt die vloer terug in dat boek.
Die vloer is het spoor dat ik achterliet, zoals mijn kinderen dat zijn bij mij in mijn nieuwe huis, waar de oudste twee nu al zo lang volledig wonen en ze te oud zijn om met een rugzakje om bovenaan de trap te gaan staan.
Misschien het beeld van een takelbalk? Misschien een raam?
Waarom denk ik aan een huis als ik heel erg moe ben, zoals laatst na een kort nachtje – eigen schuld, ik bleef hangen, het was gezellig, is soms nodig – maar nooit net zo moe als toen. Ik denk dan aan trappen, planken, een spijker naast de deur om een sleutelbos aan te hangen, die er nooit hing.
Als je geen vooruitzicht hebt, dan ben je moe. In een huis staat alles vast. Toen ik wegfietste zat alles los, alsof mijn fiets van het rammelen over de stenen zo uit elkaar kon vallen, want alles viel uit elkaar.
Verbazingwekkend wel, hoe alles in hoog tempo weer vast te draaien is. Gelukkig maar, een echt gezin had ik nodig.
Dat verslagen gevoel van helemaal stuk te zitten komt terug als ik weer eventjes moe ben. Het is ook een overwinning. De tijd is de overwinnaar, en ik denk nu echt op mijn gemak terug aan die vermoeidheid van jaren geleden, aan de jaren van rust die daarna kwamen, aan het vechten.
Onsamenhangend verhaal?
Ja, ik zat letterlijk helemaal stuk. Het is een verhaal over mezelf, in partjes.
Ik denk aan de acht tellen die de scheidsrechter gaf, heel langzaam. Dat geeft structuur. Een begin en een eind, terwijl dit eigenlijk het einde was. Ik stond in de hoek en nam mijn rust.
Dat tellen doe ik soms nog, heel langzaam.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen