In 1950 schreef Godfried Bomans een interessant stuk over ‘het mooiste carnaval beneden de Moerdijk’. Hij ging er met de trein heen en kwam uit in…

Als ik in Bergen op Zoom uit de trein stap, is er nog niets aan de hand. De mensen wandelen in hun gewone buisjes over straat, slechts hier en daar ziet men een eenzaam heer op een toeter blazen, om het instrument te proberen en ook: om erin te komen. In het Hofstraatje, recht tegenover slagerij van Puykens, zit een bejaarde man met een puntmuts op te wenen.
‘Die is te vroeg begonnen,’ zegt mijn gastheer peinzend, terwijl hij de man met zijn stok in de buik pikt, ‘kop op, Willem, dadelijk doen we allemaal mee. Je moet nooit,’ zegt hij tegen mij, ‘te vroeg beginnen. Dan ben je de enigste, die gelukkig is, en dat is het ongelukkigste wat er bestaat. Zal ik u maar voorgaan?’
Hij gaat mij voor in zijn huis, waar ik een reusachtige tafel gedekt vind.
‘Nou gaan we eerst eten,’ zegt hij, zijn jas en vest uittrekkend, ‘je moet eten tot je denkt: nou barst ik. Als we zover zijn, zal ik U verdere aanwijzingen geven.’
We eten zwijgend. Drie borden erwtensoep met kluif, een kalfskarbonade en daarna boerenkool met worst. ‘Zo,’ zegt hij, ‘dat was dat. In Den Bosch beginnen ze zó, zonder voorwerk. Maar dat noem ik daar ook geen carnaval maar knoeien . Ze dènken wel dat ze ’t kennen. Maar ze kennen ‘t niet.’
‘En in Venlo?’
‘Huilen met de pet op,’ zegt mijn gastheer, ‘in Roermond en Sittard van ’t zelfde laken ’n pak. In Maastricht proberen ze ’t ook zo’n beetje, heb ik gehoord. Maar al gaan ze op hun kop staan: Bergen op Zoom wordt ‘t nooit.’
Ik begin opeens van de man te houden. Mensen, die denken dat hun stad de enige in Europa is, waar de zaken op de juiste manier worden aangepakt, draag ik altijd een warme genegenheid toe. Ik geloof bovendien dat ze gelijk hebben, zolang ze Haarlem niet voorbij gaan. Dan word ik kwaad. Dan is er sprake van ergerlijke zelfverblinding.
‘Zo,’ zegt mijn gastheer, ,nou gaan we maatregelen nemen.
Hebt U ’n pak bij U?’
Neen, dat heb ik niet.
‘Niet,’ herhaalt hij, mij peinzend bekijkend, ‘ook dat mag niet hinderen. Want als u ’n pak bij zich had, zou ik ’t toch verworpen hebben. Haarlemmers hebben daar geen kijk op. Gaat U daar ‘ns staan.’
Enigszins wrevelig ga ik staan.
‘Loop eens op en neer,’ zegt hij, ‘mooi. En nou maakt U ’n sprongetje en roept tralala. Dank U. Ik heb ’t al. Gaat U maar mee.’
Hij gaat mij voor naar een grote hangkast, waar wel twintig pakken hangen, van de meest bonte verscheidenheid. Hij neemt er een Pierrot uit houdt deze keurend tegen mij aan .
.,Dat is ‘t,’ zegt hij, ‘fleurige typen geef ik altijd iets plechtigs: ’n aansprekerspak bij voorbeeld. Voor ’t contrast. Maar stijve harken geef ik dit. Dat haalt ’t wat op.’
Niet zonder een lichte geprikkeldheid kleed ik mij om. Het pak blijkt bovendien niet te passen. De broekspijpen komen mij tot de knieën, de mouwen reiken tot even over de ellebogen.
‘Heel goed,’ zegt hij, ‘U loopt voor aap en dat moet ook. Hier hebt U ’n toeter. Blaas eens krachtig? En nog eens. dat was al heel zwakjes. Je moet eruit halen, wat erin zit.
‘Kijk.’
Hij plaatst de toeter aan zijn mond en kijkt een ogenblik vastbesloten en geconcentreerd naar het behang, als iemand die het beste wat in hem is, gaat mobiliseren. En dan komt er een langgerekte, hartverscheurende jammerklacht, die een volle minuut aanhoudt, dalend en stijgend, en ten slotte uitstervend in een weerzinwekkend gerochel. ‘Dat is andere koek,’ zegt hij, ‘maar laat het U niet ontmoedigen. Als je, net als ik, dertig carnavals hebt meegemaakt, krijg je het te pakken, vooral als je door het jaar wat oefent. Maar denk niet, dat ze dit in Den Bosch kunnen. Ze blazen daar wel. Maar blazen en blazen is twee. Over Limburg praten we niet eens.’

Godfried Bomans geeft een beetje af op Limburg, mijn Carnavalshemel, mijn Vastelaovesparadijs. Geeft niet. Op 31 augustus van het jaar 1967 schreef hij in Haarlem een zelfverzonnen oorkonde waarin hij zichzelf uitriep tot Vorst van geheel Limburg:

Als ridder in de orde van de Gulden Humor, waardoor ik wij alle Carnavalsfestiviteiten in de provincie Limburg kosteloos kunnen bijwonen…

Slim gedaan. Bomans stelde ook nog dat hij zich verder niet met ondernemingen als het uwe in het zuiden wilde bemoeien, maar…

…tevens verzoeken om, mochten wij bij vergissing in uw midden verschijnen, ons incognito wel te willen eerbiedigen.

Carnaval is het groter maken van jezelf en soms ook het iets kleiner maken van anderen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen