Mijn zoontje, die deze maand vijf wordt, was twee keer bij de uitgeverij de afgelopen maand, om boeken op te halen. Die boeken gelooft hij allemaal wel, hij is vooral gefascineerd door de sterren die uitgedeeld worden door recensenten, en tegenwoordig ook door lezers, op allerlei boekensites. Ik heb hem dat verteld: De kranten geven sterren.

Maar hoe geven ze dan sterren?

Hij kijkt vaak naar de lucht, in de zomer wat minder omdat hij al slaapt voor het donker is, maar de sterrenhemel kent hij goed, en hij vat het uitdelen van sterren nogal letterlijk op.

Dus ik zeg dat lezers gaan lezen en dan veel sterren geven als ze een boek goed vinden en maar eentje als ze het echt een waardeloos boek vinden, een miskoop.

Ja maar hoe dan?

Hij kijkt naar de lucht, naar alle sterren die er zijn, zogenaamd ontelbaar maar hij weet dat het er zeker wel twintig zijn. Wat daarna komt mag geen naam hebben – en dan nog: hoe deel je die sterren uit? Aan een boek, aan een schrijver, aan papa?

Met die vragen legt mijn zoontje direct en onweerlegbaar de onmogelijkheid van het sterrensysteem bloot. Er zijn al kranten die het geven van sterren hebben afgeschaft, maar niet omdat het uitdelen van sterren die hoog aan de hemel staan helemaal niet kan, maar omdat ze een oordeel moeilijk te vertalen vinden in een symbool.

Dat laatste vindt mijn zoontje dan weer onzin. De beste symbolen zijn cijfers. Die kent hij allemaal, dus tot twintig. Je geeft gewoon een nul als je het eten op een avond echt vies vindt, bijvoorbeeld aardappelen en rode kool. En je geeft een tien als het superlekker is, zoals pasta met tomatensaus. Eenvoudiger kan niet.

Maar sterren uitdelen, hoe dan?

Ik vertelde hem dat er kranten zijn die geen sterren meer uitdelen, die begrepen het probleem. Nu delen ze ballen uit.

Hahaha, zei hij. Ballen!

Daarna zuchtte hij, en hij schudde zijn hoofd. Waarom zou je iets uitdelen wat iedere jongen in zijn broek heeft zitten?

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen