Toen ik een teek uit zijn kop wilde halen beet hij me in mijn hand. Ik heb het over het hondje van mijn ex. Hij leeft niet meer. Hij was klein en harig en hij had een onderbeet wat zijn gezichtje kenmerkend maakte, en zijn uitdrukking ergens tussen bijdehand en simpel in. Hij was vooral erg sterk en fel. Een terriër. Een konijnenjager. Op Schiermonnikoog had hij die teek. Die moest eruit. Ik hield hem tegen me aan. Hij keek omhoog. Al zijn spiertjes waren gespannen, hij zat klaar om uit te vallen, als een slang die een prooi grijpt. Ik kon hem maar met één hand vasthouden want die andere hand had ik nodig voor de tang en de teek, en dat was dus te weinig. Het deed pijn. Hij wachtte nog even. Hij rilde. Hij spande zich weer. Hij wachtte tot er weer zo’n pijnscheut door zijn kop trok en tot ik hem iets minder goed vasthield, dat moment kwam vanzelf. En toen schoot hij los, beet me heel hard in mijn hand, tot bloedens toe, want zijn tanden waren vreselijk scherp, en ik liet hem los. Ik was heel boos. Hij ging onder een struik zitten aan de rand van het huisjesterrein. Daar heeft hij drie dagen gezeten. Toen kwam hij langzaam weer in de buurt van het huisje in de hoop dat iemand hem toch nog wat te eten wilde geven.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen