Het waaide, vanuit het westen zoals meestal. We zochten een plekje waar geen riet was. We schoven de hengels uit, deden er tuigjes aan, en aas aan de haak. Het water was onrustig.
Waarom komt de wind eigenlijk vrijwel altijd uit het westen?
Het hele land is schuin getrokken, bomen staan scheef omdat de wind altijd van die ene kant komt, van zee. Nog honderden kilometers landinwaarts kun je zien dat er een kolossale zee voor de deur ligt.
Vissen is nadenken over de natuur.
Mijn dobber lag iets te diep. Dat merk je pas als het water kabbelt en golft in de wind. Het rode topje was iets te klein, maar ik wilde er geen loodje afhalen. Het moest maar even zo.
Het water was vrij diep. We stonden aan de ringvaart. Hoeveel water zit er in de ringvaart die de volledige Haarlemmermeer omsluit? Een vaart van zeker veertig meter breed en flink diep en zestig kilometer omtrek? Nederland wordt opeens enorm.
Wat is de rol van de wind, van een visje, van een scheefgegroeide boom, van een visser?
Mijn druif, die ik over de pas getimmerde pergola laat groeien, en die erg hard groeit, heeft takken met aan de bovenkant blaadjes die zich uitrekken om zoveel mogelijk zonlicht op te vangen, en aan de onderkant kleine soepele armpjes om zich vast te kunnen houden aan het gaas dat ik over die pergola heb gelegd. De blaadjes zijn breekbaar, die tentakels zijn erg stevig. Dat verschil vertelt me dat zo’n boom een eindeloos slim wezen is, altijd buiten in weer en wind, met weet van de wind en de zee in de verte, en daarom uitgerust met handjes en lichtvangers en met een heerlijke rust waarin hij kan groeien.
Die boom groeit iedere dag centimeters. Je ziet hem groeien. Een paar weken terug kwam hij tot de schuur, nu is hij er een halve meter voorbij gegroeid. Die boom wil groeien. Natuur is willen.
Visjes willen ook. De kleine voorntjes die mijn vriend binnen hengelde zitten ergens verscholen in de enorme diepte van dit water. Ze zwemmen geen rondjes, ze wonen waarschijnlijk op dit stuk en hebben zo hun eigen gemeenschap, hun bodem, wat modder. Ze zoeken voedsel.
De hond die er met mijn plastic zakje brood vandoor ging zocht ook voedsel. Je moet nooit een hond met een lege maag aan de ringvaart uitlaten, zo bleek. Het baasje van de hond was trouwens meer gericht op haar roofbeest dan op mijn verlies aan aas. Op de terugweg koos ze een paadje aan de andere kant van de dijk. Ze keek niet op of om.
De wil om niks te willen, dat is eigenlijk de meest samenhangende samenvatting van modern verzet tegen allerlei manieren van voedsel produceren, kweken, jagen, vissen, noem maar op. Het zoeken van contact met wezens en organismen die groeien, vanuit een wil, wordt verward met sentimenten die anderen vertellen dat dieren eten slecht is, dat eieren aan moraal gekoppeld zijn, dat planten ongekookt minder lijden. Verzin het, het bestaat. Een middagje in de wind onder een Hollandse wolkenlucht staan met een hengel in de hand vertelt me meer over de natuur dan kromgewaaide opinie.
Ik ving overigens niks. Ik heb al negenentwintig jaar geen vis gevangen. Ik ken een boek van Hemingway wat daar over gaat. Het is een heel mooi boek, want het gaat over de natuur en over de wil om iets te betekenen in die natuur. Ook zonder vangst. Gedachten zijn de vangst.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen