Op de fiets vertelde ik mijn jongste zoon over het vieren van het leven, wat je eigenlijk elke dag moet doen, maar waar – omdat het dagelijkse vieren er soms bij inschiet – carnaval voor is, en hij knikte driftig. Hij weet wel dat je het leven moet vieren.
En toch moet je tijdens dat vieren van leven geen component van het leven overslaan. Leven dood gaan hand in hand, zeker tijdens carnaval.
Bij het leven hoort… liet ik hem aanvullen.
Hij zei: Graafmachines!
Die gaan we ook vieren. En vuilnisauto’s. En brandweerauto’s ook. Maar wat ook speelt als je het leven viert: denken aan de dood.
Ja.
Hij kan soms kort van stof zijn, maar hij begrijp wel veel.
Na het leven ga je dood, zei ik.
Oké.
Waar ge ja naartoe als je dood bent?
Naar het ziekenhuis, zei hij.
Dat hoeft dan niet meer. In het ziekenhuis maken ze zieke mensen beter. Als je dood bent ben je niet ziek, dan leef je alleen niet meer.
Oké.
Maar waar ga je dan naartoe?
Dat weet ik niet.
Er zijn mensen die denken dat je na de dood in de hemel komt. Dat is ergens in de wolken, denken ze.
Dat kan toch niet.
Misschien kan het wel. Als het leven kan bestaan kan zoiets na het leven ook bestaan. Wie zal het zeggen?
Hij zei niks meer.
Wat denk je van de hemel?
Misschien zijn er wel graafmachines, zei hij.
En vuilnisauto’s?
Die ook.
En brandweerauto’s?
Dat weet ik niet.
Binnenkort vier ik met jou het leven, jongen.
Ja, dat is carnaval.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen