De afgelopen weken heb ik me herhaaldelijk druk gemaakt over het niveau van boekrecensies in kranten. Vrijdag kon ik een voorbeeld toevoegen: een bespreking in NRC van De zaak Mulder, een roman van Barry Smit.

Daarvoor gaven twee besprekingen over de laatste roman van Ernest van der Kwast oordelen zonder argumentatie. Een krant schreef dat Van der Kwast een maatschappelijke kloof groter maakt, in een roman nota bene. Een andere krant stelde dat het thema ‘een diepgravender literaire uitwerking had verdiend.’

De laatste roman van Christiaan Weijts kreeg mee dat ‘de personages niet tot leven komen’. Het tot leven komen van romanpersonages gebeurt grotendeels in het hoofd van de lezer, wil ik maar gezegd hebben. De technieken die een schrijver aanwendt om dat te laten slagen, om controle te hebben over hoe personages gaan leven in dat lezershoofd, zijn goed te duiden – maar daar komt een krantenrecensie zelden aan toe, waarschijnlijk omdat vijfhonderd woorden wat te kort is voor een gedegen analyse, maar ik krijg tevens sterk de indruk dat geen enkele recensent hier grip op heeft.

De dag voor Sinterklaas was het dus de beurt aan de nieuwe roman van Barry Smit, wederom een man – dat valt op – waarover NRC stelt: ‘Je hoopt dan dat iemand gaandeweg stappen zet en zich met name wat betreft de dimensionaliteit of meerduidigheid van zijn personages ontwikkelt.’

Wat er gebeurt: aan de hand van een paar moeilijk te duiden begrippen als dimensionaliteit en meerduidigheid bepaalt een recensent of een schrijver stappen heeft gezet. Dat geeft glans aan zijn beroep, want een lezer kan dat volgens deze literatuuropvatting, die gestoeld is op hiërarchie, nu eenmaal niet bepalen. Lezers zijn klapvee. Het nare van deze manier van recenseren is dat er onderscheid gemaakt wordt, zonder zelf ook maar een haar beter te zijn dan een doorsnee lezer.

Op Hebban staan boekbesprekingen door lezers. Het is geweldig om een-ster recensies door te nemen: ‘Niet mijn ding,’ of: ‘Ik kwam er niet in,’ of: ‘Het verhaal kwam niet tot leven,’ of: ‘Ik vond het wel een traag boek.’ Geen woord over de redenen vanuit het schrijven waarom het boek dit effect heeft. Dat hoeft ook niet, lezers moeten lezen zoals ze eten. Smaakt het niet, dan zegt de lezer bah. Wat er bij de bereiding mis is gegaan doet er niet toe.

Van een recensent van een kwaliteitskrant mag je meer verwachten, maar het oordeel van NRC over de roman van Smit, komt na een paar woordjes over de vertelling, op eenzelfde manier tot stand: ‘Het levert taal op die sowieso esthetisch niet erg prikkelt en die verder ook weinig suggereert, waardoor je het geheel een beetje gedachteloos tot je neemt.’

Een taal die esthetisch niet echt prikkelt. Goeiedag zeg. Nu is uit andere besprekingen van deze recensent, en de keuzes voor de nominaties voor de AKO-literatuurprijs (heet inmiddels anders), waar hij in de jury zit, te achterhalen welke krullerige taal en Vlaams jargon hij wel vindt prikkelen, het gaat me om de totstandkoming van het oordeel, om de macht van een recensent die het zichzelf kan permitteren iets ‘gedachteloos te lezen’ en daar het boek de schuld van geeft. En de schrijver.

‘Had-ie maar stappen moeten maken.’ Een opmerking aan het slot van de recensie herhaalt dit: ‘Smit had wel wat verder mogen gaan (in het fictionaliseren van een waargebeurde zaak van lang geleden).’ Blijkbaar zijn die stappen voor de bespreker erg belangrijk, maar het lijkt erop dat hij een roman beoordeelt op wat het had kunnen zijn, afgemeten aan eerder werk. Zo worden oliebollen in het AD beoordeeld: ‘Die van vorig jaar was lekkerder.’

Een vriend van me is culinair recensent. Als hij in een restaurant zou gaan eten en zou schrijven: ‘Jammer dat kok geen stappen heeft gemaakt,’ dan zou hij er flink van langs krijgen, van koks, van restauranthouders, van gasten. Dus staan er in iedere eetrecensie uitgebreide betogen over ingrediënten, bereiding, combinaties, en vooral: wat het geheel tijdens het etentje voor effect heeft. In boekenrecensies ontbreekt dat tegenwoordig.

Kers op de taart in de Smit-recensie zijn de laatste regels: ‘Wat je in plaats van echte ontwikkelingen leest zijn herhalingen van verklaringen, aangevuld met beschrijvingen van zaken die ook rond die tijd speelden, maar die slechts in de verte met de zaak-Mulder in verband te brengen zijn. Om de lezerskwaal samen te vatten: wat kan ons het verloop van een vergeten zaak uit 1937 boeien? Het gaat om een goed bóék.’

Een recensie afsluiten met een Martien Meiland-uithaal: ‘Een goed bóék!’ Het gaat helemaal niet over het boek, het gaat om plaatsbepaling: waar hoort dit boek? Deze recensent vindt dat dit boek niet bij de goede boeken hoort, een categorie die ik ‘goeie boeken’ zou noemen. Maar zonder verdere uitleg is dat een hol oordeel. Het is wel een oordeel dat schrijvers parten speelt. De vraag is: Waarom gaat een recensent die het niet kan boeien hoe een zaak uit 1937 verliep een roman over die zaak bespreken voor een krant?

Naast het woordje ‘lezerskwaal,’ wat heel misschien iets zegt over de beperking van deze lezer, is het opvallendste woordje in deze slotalinea ‘echt’. De recensent weet wat echte ontwikkelingen zijn, en verlangt van een schrijver die echte ontwikkelingen.

De recensent weet dat Barry Smit geen echte ontwikkelingen brengen kan, maar als Truman Capote in zijn In Cold Blood een zaak opduikelt (wat kan mij dat boeien?) en de rechtsgang volgt en deels fictionaliseert, en bovenal een beetje verliefd wordt op een van de daders, dan zijn dat vast en zeker echte ontwikkelingen.

Echt.

Let de komende tijd, in de aanloop naar de verkiezingen, op politici die het woordje ‘echt’ gebruiken. ‘We zullen in de toekomst echt aandacht hebben voor…’ Het benadrukt de intentie, het vertrouwen. Het zal gaan gebeuren! Nooit op stemmen, op mensen die echt beloven. Die weten wat echt is en onecht. Zoals je ook recensenten niet moet geloven die weten wat echte ontwikkelingen zijn, en wat niet.

Waar het om gaat: het gemaakte onderscheid is zo opvallend. Over de ene schrijver wordt gezegd: ‘Hij had wel wat stappen mogen maken,’ en over een andere schrijver wordt gezegd: ‘In dit boek klinkt een stem van internationale allure.’

Dat laatste werd gezegd over de tweede roman van Marieke Lucas Rijneveld, die een vergelijkbare stem opvoerde in haar debuut dat door dezelfde recensent in dezelfde krant werd weggezet met twee sterren. In de tussentijd had Rijneveld de International Booker Prize gewonnen, en dat verandert de kijk op een boek, door lezers, en recensenten. Niet dat hij er de eerste keer naast zat, naar eigen zeggen, dit tweede boek had eigenlijk die prijs moeten winnen. Nu pas had Rijneveld stappen gemaakt! Vijf sterren.

Ik kan jullie verklappen: zowel in de eerste als twee roman bedient Rijneveld zich van een ijzersterke stem, een levendig decor, een veelheid aan metaforen en vergelijkingen, veel lijfelijke viezigheid en vooral veel inleving gekoppeld aan afstand. Heel goed gedaan. De sprong van twee naar vijf sterren wordt echter nergens gemaakt, behalve in de krant.

Mijn collega Ivo Victoria maakte zich terecht druk om een bespreking van Rijnevelds tweede roman in het Parool. De recensent verwarde de Booker met het boek zelf, want de kop boven het artikel luidde: ‘Het moet verdomde eenzaam zijn aan de top.’ Van beide schrijvers weet ik dat ze hun eigenaardigheden hebben, maar eenzaam zijn ze niet. Ook dit is een hitparadebespreking. We zetten een schrijver aan de top, de andere schrijvers trappen we naar beneden.

Daartoe geeft het Parool een aanzetje, daar heeft de krant een traditie in hoog te houden, want in de recensie over Marieke Lucas’ tweede roman staat een wrange vergelijking: ‘Veel schrijvers van haar generatie zijn behept met een karige en wankele woordenschat. Ze lijden luidruchtig aan hun niet te verhullen stilistische handicaps.’

Het mag duidelijk zijn hoe er geoordeeld wordt. Over ieder boek van iedere schrijver kun je zeggen dat het lijdt aan stilistische handicaps. Er wordt simpelweg een gunst verleend: dit boek is goed, dit boek is slecht.

Het is inmiddels een grote angst onder schrijvers: niet zozeer dat een boek slecht besproken wordt, maar wat als mijn boek op zo’n knullige manier besproken wordt? Het oordeel staat wel zwart op wit. Twee sterren blinken opmerkelijk doffer dan vijf op een rij, vooral voor uitgevers, boekhandelaren en een paar lezers. Dat heeft effect. Dat is vreselijk.

Er is nog een ander effect van de uitgeholde boekenbijlagen. Op het moment dat ik dit schrijf valt er een prospectus van uitgeverij Rubinstein in de bus. Mijn Gouden boekje dat in april verschijnt is erin opgenomen, en bij mijn bio staat dat NRC ooit over me zei: ‘Een van de interessantste schrijvers van Nederland.’

Heel leuk, zulke vleiende woorden van bijna tien jaar geleden, zeker omdat in die tijd zo’n conclusie vaak wel onderbouwd werd, maar de krant waar de quote uit komt plaatst tegenwoordig recensies met vergelijkbare kreten die zo loos zijn dat iedere zichzelf respecterende schrijver zich ervoor zou schamen. De waarde van die quote is behoorlijk gezakt.

Het ligt inmiddels zo voor de hand om over een boek te schrijven: ‘Jammer dat de schrijver geen stappen heeft gemaakt, de hoofdpersoon komt niet uit de verf, één ster, bedankt voor de moeite, doei.’

Zal ik dat ook maar gaan doen? Het scheelt een hoop uitpluiswerk, zoeken naar woorden die aan kunnen geven wat een boek doet. Bovendien opent het de deur naar een vaste aanstelling als recensent bij een kwaliteitskrant.

Ik denk er nog even over na.

Jan van Mersbergen