De hond was over de sloot gesprongen. Hij kwam van een boerderij. Honden van boerderijen liggen aan kettingen, deze was losgebroken.
Op het land liepen schapen. Als schapen schrikken zijn ze heel erg sterk. Dan breken ze zo door een afrastering die ze zonder hond prima in de wei weet te houden.
Nu kwam de hond eraan. de schapen in de wei braken door het gaas en renden in paniek weg, struiken in, achter de houtopslag, geen idee waarheen, maar in ieder geval tot waar de sloten waren want schapen hebben angst voor water.
Een schaap stond aan een pin. Om de pin zat een zwaar metalen oog en daaraan zat een dik touw van een meter of zeven. Zo kon het schaap stukjes gras buiten de wei afgrazen.
De hond sprong over de sloot, de schapen renden weg, dat ene schaap trok de massieve metalen pin van bijna een halve meter uit de grond.
De pin was met een voorhamer in de klei geslagen. Wil je zo’n pin er weer uit krijgen dan moet je hem heen en weer slaan, wrikken, ruimte maken, de zuigende kracht van de vochtige poldergrond de baas worden.
Een bang schaap trekt die pin zo uit de grond, door de hond. De angst voor de hond maakt het schaap zo sterk.

Denk bij berichtgeving over conflicten aan de verschillende rollen. Wie is de hond, wie zijn de schapen die losbreken en vluchten, is het schaap aan de pin?

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen