Het was na een korte pauze langs de snelweg die aan de westkant Parijs zou ronden, toen hij de liftster zag staan, net voorbij de grote parkeerplaats. Ze had geen bord in haar hand – meestal hadden ze wel een bord dat aangaf waar ze heen wilden. Hij dacht eerst dat ze niet alleen was – meestal duikt het vriendje wel ergens op, als je stopt. Hij had vroeger wel eens lifters meegenomen, toen hij nog een zeker mededogen voor reizigers had die met een minimaal budget ergens probeerden te komen. Het gebeurde hem te vaak dat ze stilzwijgend naast hem in de cabine zaten en er nog geen bedankje vanaf kon als ze weer uitstapten. Het maakte de rit vervelend, terwijl hij in zijn eentje een prima tijd had, met een sigaretje op zijn tijd en de radio op een zender die hij kende.

Lange tijd stopte hij dus nooit, maar nu zag hij haar staan, haar hand uitgestoken en de duim omhoog, ze keek niet naar de vrachtwagen, en hij remde. Ze haastte zich niet naar het portier – dat doen ze meestal, een soort gespeelde haast uit beleefdheid. In zijn spiegel zag hij dat ze naar het portier liep zoals vrouwen door winkelstraten lopen, met een bepaalde zekerheid, maar zeker niet met haast. Hij duwde het portier open, en toen ze beneden stond en omhoog keek en hem vriendelijk gedag zei vroeg hij waar ze naartoe moest. ‘De kust,’ zei ze. Hij knikte. Hij ging in ieder geval in de richting van Normandië, en dat was in de richting van de kust. ‘Stap maar in,’ zei hij. Dat deed ze.

De bijrijdersstoel veerde toen ze ging zitten, ook al was ze klein en leek ze licht als een puber. ‘Ik heet Veronique,’ zei ze. Hij noemde zijn naam en reed de wagen naar de oprit om daar soepel in te voegen en op de rechterbaan naar het westen te tuffen. De zon stond aan zijn kant van de cabine, maar het was nog niet heel warm. Frankrijk kon vervelend warm zijn. Af en toe keek hij opzij. Veronique was klein en toch waren haar benen lang. Ze droeg een afgeknipte spijkerbroek waar de zakken onderuit kwamen en een geruit hemd. Waar had ze haar tas gelaten? Had ze wel een tas? ‘Wil je wat drinken?’ vroeg hij. ‘Ik heb water gekocht bij de benzinepomp zojuist.’ Dat hoefde niet, ze had water gedronken op de wc, ook al is het chloorwater. Ze kon er goed tegen. Even zweeg ze en hij had meteen spijt dat hij gestopt was. Niks meer zeggen en toch aanwezig zijn, dat was de ellende van lifters. De radio had hij na de stop niet meer aan gezet, en het was echt stil in de cabine, tot ze toch begon te praten.

‘Ik ga naar de kust omdat mijn vriend daar is,’ zei ze. Het klonk hem niet als een opmerking die veel vrouwen maken, een opmerking om aan te geven dat ze al bezet zijn en dat hij zich niets in zijn hoofd hoeft te halen. Het was anders. Ze had het niet over haar vriend, ze had het over zichzelf. Ze reikte met een hand onder de bijrijdersstoel, daar moest dan toch haar tasje staan, en haalde er een mes uit. Ze zei: ‘Hij is daar met een ander.’ Ze legde het mes op het dashboard. Het was geen groot mes, maar het zag er stevig en scherp uit, en Veronique keek vastberaden door de voorruit naar het asfalt en naar de lucht daarboven, in de richting van de zee.

Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, hij begreep niet waarom ze hem dit allemaal vertelde. Dus nu was hij degene die stil was, en dat was niet erg. Er was nu een aanleiding om even stil te zijn. Toen zei hij: ‘Ik ben getrouwd en hij ben de hele week van huis.’ Het meisje keek opzij, vragend. Hij zei: ‘Ik weet precies wat mijn vrouw doet, maar ik ga nooit naar huis met een mes.’ Het meisje, ze was opeens een meisje geworden, ze was geen vrouw meer, en dat kwam door dat mes, keek weer opzij en gaf hem kort een blik die vertelde dat hij zich er niet mee moest bemoeien en dat hij zeker niet met goede raad moest komen. Toch vertelde die blik hem dat ze wel wilde weten waar hij dan wel mee thuiskwam. Hij zei: ‘Ik neem iedere keer iets anders mee.’

Dat veranderde haar blik. Hij zei dat hij de allereerste keer na hun bruiloft, nu drieëntwintig jaar geleden, een grote bos bloemen mee naar huis nam, en dat hij die keer erop, het was een rit naar Spanje, niet met bloemen aan kon komen. Die waren inmiddels verwekt en weggegooid. Dus kocht hij gedroogde worst die ze samen opaten op de zaterdagavond na zijn terugkeer. Het smaakte heel goed. Hij nam een schilderijtje mee uit het zuiden van Italië, een fles plaatselijke lichte wijn uit Griekenland, wat erg ver rijden is, muziek uit Ierland, uit Polen een bewerkt stuk hout, en nu hij naar Normandië ging was hij de hele rit bezig met te bedenken wat hij dit keer zou kopen, voor haar. Veronique vroeg: ‘Iedere keer iets anders?’ Hij knikte. Dat is moeilijk ja, zei hij met dat knikte. Hij had van alles al gehad, een boek, zaadjes van zonnebloemen, een vlag met een stuk touw eraan, een gekleurde blouse, een busje zeezout, een klein tafeltje om glaasjes wijn om te zetten, een opgezette eekhoorn.

Toen zei Veronique: ‘Maar je zei dat je weet wat je vrouw doet.’ En weer knikte hij. Hij zei: ‘Ik denk aan glaswerk, maar dan niet het normale, potjes of flesjes of dekseltjes, net even iets anders. Van die glazen dingetjes.’ Veronique zei: ‘Wat doet ze dan?’ Daar moest hij even over nadenken, hoe zeg je dat? ‘Ze bezoekt haar minnaar.’ Dat was het, en hij hoefde geen moeite te doen de woorden dreigend of anders te laten klinken dat hoe het was. Hij was van huis. Meer was het niet. Zij was een gezonde vrouw, meer was zij ook niet. Veronique dacht na. ‘Glaswerk,’ zei ze toen. Hij vertelde haar dat hij ooit in het zuiden van Frankrijk mooie geblazen kunstwerkjes had gezien die je gewoon ergens neer kunt zetten. Daar dacht hij aan. Een tijdje reden ze in stilte over de snelweg. Er was weinig verkeer voor hen, na een paar minuten pas haalde de eerste auto hen in: een gezin op weg naar hun vakantiebestemming.

Toen vroeg hij haar: ‘Waarom is hij aan de kust?’ Ze vertelde dat hij daar voor zijn werk was. Hij begreep het. Die vriend van haar was daar niet voor die ander. En Veronique begreep het ook. Ze pakte het mes en stak het weer in haar tas. De stilte was nu anders. Hij reed onder een bord door dat aangaf dat er over zeshonderd meter een parkeerplaats was. Ze vroeg: ‘Is dat zo’n parkeerplaats met een loopbrug?’ Hij vroeg: ‘Naar de overkant?’ Maar hij begreep het al. Ze wilde uitstappen en de weg terug nemen. Hij bleef op de rechterbaan rijden tot de afrit kwam en daar liet hij de vrachtwagen uitrijden. Het kostte hem tijd, maar dat vond hij niet erg. Hij liet haar uitstappen, met haar kleine tas en haar mes, en ze bedankte hem en hij zag haar naar de hoge houten loopbrug lopen waar hij al onderdoor reed voor ze bij de trap was. Ze zwaaide niet, ze liep gewoon naar de trap.

Hij was blij dat hij een verhaal verzonnen had, dat haar verhaal veranderd had. Glazen dingetjes, mompelde hij, en hij zou er naar uitkijken, aan de kust, naar glazen dingetjes.

»

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen