Er was niemand in de speeltuin. Het waren de lege dagen tussen kerst en oudjaar, een werkweek met drie kinderen thuis die vakantie gebruikten om op de bank te hangen, boven in bed te hangen, overal waar maar kon te hangen. Dus soms is een uurtje buiten een verademing.

Die week fietsten we naar de stad, met mijn jongste zoon op zijn zadeltje op de stang. De heenweg ging nog wel, het vooruitzicht van de stad, even over de grachten fietsen, langs de Westertoren. De terugweg was moeilijker. Het was erg koud, de wind was nu tegen, en het begon te motregenen. Ik kon hem wel wat afleiden, maar de laatste paar straten huilde hij.

Dus hij wilde daarna niet meer naar buiten. Hij was zo stellig, zelfs de speeltuin aankondigen wilde hij niet. Ik verzon de speeltuin er wel bij. Ik ken de bankjes, de zandbak, de huisjes, en vooral de kleine emmertjes en schepjes met de kapotte hengsels, de gespleten handvaten, de karretjes met de gebroken assen of kapotte zadels. Ik had bijna heimwee naar die halfbakken berg speelgoed die deze dagen nog steeds in de speeltuin lag.

Ik dacht vooral aan de hoeveelheid speelgoed. In mijn jeugd was nergens speelgoed. Ja, thuis een paar vaste dingen op je kamer, en daar was je zuinig op. Op straat was niks. Geen speeltoestellen, omheinde voetbalveldjes, glijbanen, takelbanen met echte katrollen, een wip die ook nog kan draaien, grote mechanische graafmachines waar je zelf op kunt zitten, een tractor, een echt speelhuis, een kasteel.

Er was niks – dus je moest wel iets verzinnen.

Je bouwde een fiets met een lange voorvork en een scooterzadel, je ging polsstokspringen over een iets te brede sloot, je ging een vlot bouwen, automerkjes jatten bij de autosloop, je ging langs de rivierdijk lopen als het schemerde en als er koeien stonden te slapen kon je ze omduwen – wat wij natuurlijk nooit deden; dat levert met terugwerkende kracht een hoop gezeur op. Je ging proberen met losse handen te fietsen over een smalle stoep, of het hele schoolplein over op je achterwiel.

Dat is, dacht ik thuis met een inmiddels spelende zoon en zijn zusje om me heen, ons allemaal afgenomen. Mijn zoontje was een ijscoman, trouwens, en zijn zus was een vervelende klant. Ze verzonnen het wel, ook zonder de speeltuin.

Ik verzon dat er toen niks was, omdat er nu zo veel is, waar we niet naartoe gingen.

Jan van Mersbergen