Ik herkende iets in het filmpje dat vorige week op internet rondging, waarop te zien was dat een man door een politieman werd doodgeschoten bij zijn auto.
Het was het zoeken naar iets in die auto. Dat beeld.

Het gebeurde al meer dan vijftien jaar geleden. Ik werkte voor een theatergroep. Die avond speelden we een voorstelling in het Fijnhouttheater. Ik fietste daarnaartoe, het was vlakbij.
Op het kruispunt van de Stadhouderskade en de Hobbemakade lag toen nog niet het fietspad apart van de weg. Ik had groen, ik ging rechtdoor. Een auto kwam van links, ging met hoge snelheid door rood, vlak voor me langs. Ik schrok. Ik riep iets, ik spuugde. De auto keerde, met gierende banden, en stopte, midden op straat.
Een man stapte uit. Ik weet nog dat ik mijn fiets op de standaard naast de weg zette. De man droeg een pak, nette schoenen, een zijden sjaaltje om zijn hals. Die kleding weet ik nog precies, maar ik keek vooral naar zijn ogen. Die waren groot, open, bloeddoorlopen.
Hij kwam op me af. Ik wist direct: hij gaat me slaan.
Ik was hem voor. Ik was iets groter, mijn armen iets langer. Ik wachtte tot hij dichtbij was en voor hij me iets kon doen sloeg ik hem behoorlijk hard tegen zijn jukbeen.
Hij deinsde achteruit. Hij dacht na, een seconde. Hij keek naar me.
Toen maakte hij een keuze, toen gebeurde wat ik herkende.
Hij liep terug naar de auto, opende het achterste portier en zocht naar iets op de achterbank.
Ik kon niet zien wat hij zocht, ik wist verder helemaal niets van wat hij deed, ik wist wel heel duidelijk: dit moet ik niet hebben.
Ik pakte mijn fiets en reed heel hard langs het Rijksmuseum en direct daarna het Vondelpark in, daar kon hij met zijn auto niet komen. Ik had ook onder het Rijksmuseum door kunnen fietsen, maar dat kwam niet in me op.
Aan de andere kant bij de Overtoom kwam ik het park weer uit. Ik fietste naar het theater. De acteurs die er al waren zagen meteen aan me dat er iets gebeurd was. Ik vertelde mijn verhaal. Ze gaven me een glaasje water en die avond verliep de voorstelling verder prima.
Het was het zoeken naar iets op de achterbank. Het was gevaarlijk. Het kon niet anders dan gevaarlijk zijn. Ik had verder niets bij me om me te verdedigen. Fysiek kon ik hem hebben, dat had hij al gevoeld, en dat maakte het zoeken op de achterbank nog gevaarlijker, want het moest iets zijn waarmee hij me de baas kon zijn.
Ik was niet in paniek. Ik was wel bang. Dus ik maakte dat ik weg kwam.
Dit verhaal gaat niet over de aanleiding, het door rood rijden van die man, mijn reactie, de ruzie en de tik die ik hem verkocht. In het verkeer in de stad gebeurt van alles. Ik heb er later ook nooit iets mee gedaan.
Aangifte doen, zeiden de mensen in het theater.
Dat heeft geen zin, zei ik. Dat is alleen maar gedoe.
Ik verdedig mezelf als dat nodig is, blijkbaar. Als iemand me wil slaan dan zal ik inschatten hoe de situatie is en dan is het reageren en weer inschatten. Als er naar iets gezocht wordt, iets onbekends en misschien gevaarlijks, dan ben ik weg.
Dat is me bijgebleven, ik was heel erg bang toen de man iets ging zoeken.

De man die werd doodgeschoten ging iets zoeken op de stoel bij het stuur. Van de aanleiding weet ik verder niks. Er was politie, de man werd aangehouden. Alles was in beeld. Er is niet naar te kijken en toch kijk je ernaar. Verbind geen conclusies aan mijn associaties. Het zijn beelden gelinkt aan andere beelden.
De man ging iets zoeken.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen