Op het stukje bestrating in de achtertuin was het al glad, dat beloofde wat voor de straat, vooral voor de dijk. Daar moest hij naartoe. Via de steeg naar de straat die achter het huis liep, om de kerk heen en van daar het dorp door langs de supermarkt en naar de dijk, waar ze aan het werk waren. Hij had een opoefiets met een recht stuur en een oud leren zadel. Hij was wel gewend te fietsen als het glad was. Hij fietste op de rivier als die dichtgevroren was, maar toen was hij jonger en minder bang om te vallen. Als hij nu viel en er gebeurde echt iets, dan had hij de komende weken geen werk en dus geen geld en dus kon hij geen rondje geven in de Stoep. Dus hij was voorzichtig. In de steeg glibberde het achterwiel al een keer weg, bij de kerk lag asfalt en daar was er niks aan de hand maar vlak voor de benzinepomp begonnen de klinkers weer en op een of andere manier blijft daar het regenwater aan kleven, iedere steen een kopje van ijs, en hij gleed zo tegen de stoep aan. Dat stuk liep hij. Bij de winkel ging het beter, daar lagen nieuwere stugge grove stenen in de straat. Zo ging hij het dorp door tot hij bij de dijk kwam. Die oude rode klinkers. Hij zag het al. En waarom hij het deed weet hij tot de dag van vandaag niet, maar hij besloot flink aan te zetten, hij ging even staan, trapte hard, en maakte vaart om de oprit naar de dijk in één keer te kunnen nemen. De oude fiets kraakte, zijn jas kraakte van de kou, in de verte hoorde hij al een boor tegen de betonnen muur rammelen die ze aan het slopen waren, en hij stoof omhoog. De eerste meters gingen soepel. Hij zette aan, het achterwiel werd al lichter, leek te zweven boven de straat. Het ijs gaf geen weerstand. Hij slipte. Hij had nog wel vaart, maar dat zou gauw voorbij zijn, en in het gebonk van de boor en het brommen van een tractor die gevaarlijk hard over de dijk reed, met zijn brede banden, met grip, slipte hij nog een keer en voor hij echt met fiets en al begon te schuiven liet hij zijn stuur los, dook hij naar links en zocht zijn voet de straat. Hij droeg zijn werkschoenen, en toch hadden de zolen geen kans. Hij schoof direct onderuit en hier was de dijk schuin, er was wel een trottoirbandje maar dat stelde niks voor en hij ging hard, en hij schoof zo de berm in waar het ijs zich vastklampte aan het gras en zo ging hij van de dijk af naar beneden, precies langs de tuin die naast een van de laatste huizen van het dorp lag, en precies in de richting van een slootje, onderaan de dijk, en al glijdend probeerde hij te bedenken of het hard genoeg gevroren had…

Jan van Mersbergen