Misschien komt het door mijn leeftijd of door mijn dochter die de laatste tijd geïnteresseerd is in hoe ik was toen ik twintig was of gewoon door het opruimen van de kast en de fotoboeken die ik daarin tegenkwam, maar ik zat dus plots met een paar jaar in foto’s voor mijn neus. Het was een reis door de tijd.
Nu heb ik een bloedhekel aan fotoboekproza, het aanhalen van verhaaltjes die je al een eeuwigheid vergeten bent, omdat er destijds nu eenmaal een kiekje van gemaakt is. Toen ik twintig was het ik een vriendin die graag foto’s nam met een spiegelreflexcamera. Die relatie ging uit voor we onze studie hadden afgerond, maar de foto’s blijven bestaan – en die momenten dus ook. Stel dat ik een relatie had gehad zonder ouderwetse fotocamera, waar je zelf de rolletjes in moest draaien, dan had ik me die momenten niet herinnerd. Dan herinnerde ik me andere momenten.
Dat verzet tegen de foto’s duurde maar even. Ik ben heel blij dat er een paar foto’s in een mapje zitten waar ik op sta, vanaf 1990.
In het biljartcafé de Unie aan de Amstel, bestaat natuurlijk niet meer, waar ik vaak met studievrienden ging bandstoten. Dat was in een tijd toen pool en snooker nog maar net populair begon te worden, en de Amsterdamse café nog een gewoon biljart hadden staan, met een klok waar je de drie ballen vanaf kon halen als je er een gulden in had gegooid. Op de foto stoot ik achter mijn rug langs. Ik weet nog precies hoe dat voelde, dat had ik in Brabant geleerd, in het dorpscafé waar ook een biljart stond, bij de gokkasten, en naar de stad meegenomen. Het geluid van een carambole is een van de prettigste geluiden in de horeca. Zelfs nu alle kroegen dicht zijn en sowieso nergens meer zo’n biljart zonder gaten te vinden is, hoor ik af en toe nog dat tikje, hoe zachter hoe beter.
In Frankrijk, helemaal in het zuiden, liftend langs een dorre weg waar geen boompje me schaduw kon geven, op weg naar de Olympische Spelen van Barcelona, met twee grote rugzakken, en dus die camera, en de vorm van mijn hemd op mijn verbrandde huid, en een klein notitieboekje op mijn bovenbenen. Het gaat me niet om die reis of de vreselijke zon die ik niet gewend was of dat rare hemdje, het gaat me nu om de dagboekjes met notities die net al even iets meer waren dan alleen dagboekjes. Die me toen vertelden dat ik wilde schrijven.
Bij de metro, ik kan niet zien welke halte maar in ieder geval op het stuk buiten de stad, boven de grond, draag ik een lange zwart-witte jas. Het was een lekkere wollen jas die niet goed sloot aan de bovenkant, dat was nou eenmaal het type, en ik werd altijd supersnel verhouden als mijn hals ook maar een beetje op de tocht zat of in de kou. Ik weet nog dat ik er een drukknoop aan maakte, want een gewone knoop daarvoor moest ik een gat in de jas maken en ik wist toen al dat ik daarmee de complete jas zou vernielen, dus ik haalde ergens een drukknoop vandaan die naaide die met de enige naald en het enige klosje garen dat ik had vast aan de jas.
In Emmen voor een steppe met giraffen. Ik draag een groen-wit geblokt overhemd, het soort dat ik nog steeds draag. Mijn haar zoals ik tegenwoordig nog steeds wakker wordt, alleen wat voller. Mijn postuur zoals van nu, want toen ik begin twintig was hield ik van gebakken aardappelen en van afhaaleten en chips. Maar vooral: ik hield mijn ogen dicht. Voor die camera. Ik weet niet waarom ik dat deed. Op de foto was het bewolkt, en toch kneep ik mijn ogen dicht alsof de Franse zon op de dierentuinsteppe van Emmen scheen. Ik weet wel waarom ik dat deed. Die relatie liep op z’n eind, daar kon geen dierentuin iets aan doen, en ik wilde geen opgewekte foto van dat moment, een foto die me dertig jaar later uit een fotoboek tegemoet zou springen en een vertekend beeld zou geven.
Daar ben ik vooral blij om, dat de minder gelukkige momenten nooit anders op kiekjes terecht zijn gekomen, dat ik nooit een rol heb gespeeld voor een camera. Geen lach terwijl er niks te lachen viel. Dat heb ik nog steeds. Ik zie mezelf als twintiger met dezelfde cameraschuwheid van nu.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen