Bestsellers gedijen bij ophef. Momenteel is er maar één bestseller: Ik ga leven, van Lale Gül. De ophef rond dit boek verschuift steeds, blijft op zijn beurt ook steeds leven.

Eerst is het verhaal zo heftig voor de familie en de Turkse gemeenschap dat de schrijfster bedreigd wordt, dat ze stopt met schrijven, wat ze natuurlijk nooit gaat doen, dat ze het contact met haar familie moet verbreken. Een reeks tv-optredens stuwt het boek naar de top van de bestsellerslijst, wat de uitgever al wist toen hij naast Gül aanschoof op tv om te melden dat hij hoopte dat ze niet zou stoppen met schrijven.

Nu is er ophef over het taalgebruik van Gül. Dat is erg vormelijk en er staan een paar foutjes in het boek. Teunis Bunt noemt het een belangrijk boek, maar somt wel de foutjes op, uitdrukkingen die niet kloppen, maar die ik wel grappig vind. Bijvoorbeeld: ‘het krijt ruimen’ en ‘ik spande mijn oren’ en ‘ik hinkte op twee benen.’ Het zijn er zo veel dat je toch gaat denken dat het met opzet zo geschreven is.

Jolanda Ivonne Clément reageert door de taal van de Afro-Amerikaanse schrijvers in de strijd te gooien, die werden ook gewaardeerd om hun boodschap maar gekraakt om hun taalgebruik. Ze beheersten de taal niet goed. Gül schrijft slang. Echte migrantenliteratuur, en dan is de taal nu eenmaal iets anders. (Lees: behelpen.)

Gerwin van der Werf stelt daarna dat ‘voor iedere tekst geldt dat je de taal niet slordig moet hanteren als je begrepen wil worden.’ Iedereen die schrijft moet het Nederlands beheersen, ook Gül.

Reacties die vooral ingegeven worden door moraal. Bunt zegt dat Gül een belangrijk boek heeft geschreven, maar het is een zooitje. Een sympathisant die meent dat deze taal slang is, gebruikt precies hetzelfde argument: we moeten het zooitje accepteren want ze is Turks. En een schrijver die niet tegen slordigheden kan. Het doet me denken aan het Groot Dictee, waar fanatiekelingen willen tonen hoe goed ze woorden kunnen spellen, die niemand gebruikt, in een tekst die niet te lezen is. Wees er maar trots op.

Arjan Peters reageerde ook op de taalkwestie. Hij haalde eerder al een zin uit Ik ga leven aan: ‘Ik sta in de keuken linzensoep te componeren.’ Opvallende zin. Krom en soepel tegelijk. Peters heeft gelijk wanneer hij stelt dat wanneer je bij zo’n zin nog kritiek hebt op de taal en het taalgebruik, je niet aanvoelt dat deze schrijfster dit spelletje bewust aangaat, en dat haar redacteur haar dit heeft laten doen, ook bewust. Niemand weet dat, en uitgeverij Prometheus zal de laatste zijn om verklaringen te geven, want promotie van boeken is daar echt tot kunst verheven. Vrijwel onmogelijk dat dit allemaal onbewust in de roman terecht gekomen is, daarvoor is hoeveelheid kwinkslagen en de aard van de taalspelletjes simpelweg te groot.

Het is allemaal erg grappig. De titel van een artikel over de kwestie oppert de vraag: ‘Moet je het taalgebruik van Lale Gül langs literaire meetlat leggen of juist niet?’ Het probleem is dat niemand weet wat de literaire meetlat is. Is dat Reve of Hermans, is dat een sticker op de rug van een bibliotheekboek, is dat juist vormelijke poëzie, is het de manier waarop Kader Abdolah praat, is het een taalfoutje, is het een recensent die een nieuw boekenprogramma stom vindt, is het een schoolmeester die graag bij schrijvers wil aanschuiven, is het een gedicht over een zingende merel, is het een opsomming van allerlei soorten zware wapens, is het mijn zoon die soms onbedoeld een metafoor voor het leven uitspreekt, en het daarna weer vergeet?

Als in het artikel staat: ‘Intussen kreeg Lale Gül het aan de stak met…’ is dat dan een tikfoutje of een doelbewuste verspreking? Nu zal dat inmiddels wel aangepast zijn, of niet, met de literaire meetlat heeft ook dit niks te maken. Alleen al het noemen van een literaire meetlat geeft aan dat literatuur nog altijd ingezet wordt om je verheven te kunnen voelen boven anderen. Moraal boven taal, en taal verliest.

Literatuur staat nooit op zichzelf, ook zogenaamde migrantenliteratuur niet. Ik zeg ‘zogenaamd’ want Gül is helemaal geen migrant. Ze is even Amsterdams als mijn kinderen, scheelt maar een paar jaar. Ze hebben tussen dezelfde mensen rondgelopen, in dezelfde buurt, ze hebben dezelfde scholing gehad. Alleen haar ouders en familie hebben een andere achtergrond, zoals de ouders van Franca Treur een andere geloofsachtergrond hebben dan de meeste mensen in Amsterdam. En ook al komt de achtergrond van Gül in Amsterdam-West heel wat vaker voor dan die van Treur, wat Gül schijft is op en top Nederlands.

Een beter idee: Pak er boeken bij waarin hetzelfde gebeurt.

In De heilige Antonio, het Boekenweekgeschenk dat Arnon Grunberg in 1998 schreef, een jaar na de geboorte van Gül,  vertellen twee broers: ‘Dit is voor het eerst dat we echt in het Engels schrijven.’ En: ‘We zouden zo willen kunnen praten dat niemand meer vraagt: Waar komen jullie vandaan? of: Hoe lang zijn jullie al hier?’ Grunberg schrijft over twee Kroaten. Hun taalgebruik is soms kinderlijk, soms formeel, soms poëtisch. Maar steeds de taal van twee Kroaten die in Amerika zijn. Past goed.

En waar doet dat dan weer aan denken? In 2002 verscheen Alles is verlicht van Jonathan Safran Foer. De zinnen: ‘Mijn wetmatige naam is Alexander Pertsjov. Maar mijn vele vrienden titelen mij Alex, omdat die versie van mijn naam gladder te spreken is.’ Dan weet je als lezer toch genoeg? Niet de foutjes zijn belangrijk, de verteltoon maakt dit boek.

Weer twee jaar later verschijnt in een compleet ander werelddeel Wolkenatlas van David Mitchell, waar op de eerste bladzijde staat: ‘Zo geviel het dat ik Dr. Henry Goose, de geneesheer van de Londense adel, leerde kennen.’ Ook formele taal, en in de zin daarvoor werd ook al duidelijk dat dit logboek vol met en-tekens staat: ‘Die afdrukken voerden mij voor een rottende brij kelp, zeekokosnoten & bamboe naar hun maker, een blanke man met opgestroopte broekspijpen & een bonker met…’ Vormelijk, uit een oude tijd, keuze voor vreemde tekens… Het kan allemaal prima.

Romans met een opvallende verteltoon, die past bij de vertellers, meer is het niet. Echter door niemand migrantenliteratuur genoemd. Wel allemaal literatuur, want de literaire meetlat is een meetlat van namen. Grunberg, Foer, Mitchell – ja dat is literatuur. Iedere ‘en’ vervangen door een & en vertellen met het jargon van een ambtenaar – echte literatuur.

En nu is er Lale Gül. Niks is nieuw. Behalve dat ze jong is, een vrouw, en van Turkse komaf. Je hoeft het boek niet gelezen te hebben om te zeggen: Dit is geen literatuur. Het staat vol foutjes. Ze gebruikt slang. Ze moet eerst Nederlands leren. Allemaal argumenten van mensen met een oordeel groter dan hun boekenkast.

Een ander voorbeeld – dit heb ik later ingevoegd, omdat me dat laat in de middag van deze 20e april te binnen schoot: ‘Vanwege haar jeugdige leeftijd vierden haar bewakers hun lusten niet onmiddellijk op haar bot…’ Dit komt uit De ondergrondse spoorweg van Colson Whitehead. Deze prijswinnende Amerikaan schrijft even vormelijk, ook in de originele versie, maar daar valt niemand over. Niemand heeft Whitehead ooit gezegd dat zijn taal archaïsch is, ambtelijk, niet te doen. Wat Whitehead is literatuur. Zo werken oordelen in de literatuur.

Niks is nieuw, met Gül. De taal, de vertelstem, de technieken, de ophef, de heerlijk serieuze reacties op bewuste taalfoutjes (of onbewust, wie gaat het zeggen?). Ik vind het geweldig dat gezien de verkoop het boek de winnaar is. Dat hebben schrijfster, redacteur, uitgever en het hele promotieteam geweldig gedaan. Er is echter nog een winnaar: de taal zelf.

Ik heb Ik ga leven nog niet gelezen. Ik bekeek de talrijke voorbeelden en de ophef, en daarna bekeek ik mijn boekenkast, en wat bleek: het debuut van Gül staat er al in! In andere boeken. En als ik nog even blijf kijken vind ik nog meer voorbeelden. Dat is het enige wat telt, voor de taal. Zo krijgt dit boek een plek, deze taal krijgt een plek. En ik zeg: Ik ga lezen.

«
»

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen