Boeken vormen een persoonlijke lijn die ontstaat door interesse, toevalligheden en logische schakels.
Bij een uitgeversfeest kwam ik Jessica Durlacher tegen. We stonden op een strategische plek bij de wc, samen met Pieter Waterdrinker. Iedereen kwam langs, we hoefden daar alleen maar wat te staan kletsen, en ook dat ging vanzelf.
Toen ik de volgende dag voor mijn boekenkast stond om een nieuw boek te kiezen kwam ik al snel uit bij het verzamelde werk van GJ Durlacher, de vader van Jessica. Ik las een stukje in Strepen aan de hemel. Bijzonder boek, net zoals zijn andere werk heel erg helder en stellig, en sober geschreven, en daardoor maakt Durlacher de oorlog en de Jodenvervolging invoelbaar, iets wat alleen kan als er een zekere mate van afstand genomen wordt en het sentiment terzijde wordt geschoven.
Het boek van Durlacher stelt de vraag wanneer de vernietiging van de Joden in de oorlog bekend werd. Wat wist men? Een tragisch verhaal, want het mag duidelijk zijn dat al in 1942 in de Geallieerde landen bekend was dat in Duitsland op grote schaal Joden vernietigd werden, en dat hebben die landen met die informatie gedaan? Moeilijk om in detail deze geschiedenis uit te zoeken, wat Durlacher wel duidelijk stelt is dat het gevoel van verlatenheid bij de Joden in de kampen niet alleen met de kampen van doen had, maar ook met de manier waarop andere landen reageerden op informatie over de kampen. Ze reageerden niet. Dubbel pijnlijk.
Al gauw stuitte ik in Strepen aan de hemel op vijf namen van mannen die wisten te ontsnappen uit Auschwitz en die persoonlijk konden getuigen over wat er in die kampen gebeurde. Dat was in april 1944. De eerstgenoemde van die mannen: de Slowaak Rudolf Vrba.
Ik zocht de naam op internet op. Samen met Alfréd Wetzler ontsnapte hij uit het kamp en in Slowakije werd aan de hand van hun getuigenis het Vrba-Wetzler-rapport opgesteld. Een jaar voor het einde van de oorlog. Het duurde lang voor het rapport serieus werd genomen, maar uiteindelijk stopte door het rapport de deportatie van Joden vanuit Hongarije naar de kampen.
Bij de informatie vond ik een boek dat Vrba geschreven heeft en dat in de jaren zestig verscheen. Direct bestelde ik de vertaling: Ik ontsnapte uit Auschwitz.
Het verhaal van Vrba deed me denken aan Het 25e uur, van de Roemeen Virgil Gheorgiu, een vergeten boek dat een van de beste verslagen is van persoonlijk leven en leed in Oost-Europa tijdens de oorlog, naast natuurlijk De geverfde vogel van Jerzy Kosinski. Dit zijn boeken over gebeurtenissen die geen fictie kunnen verdragen. Een tijd die al ver achter ons ligt maar keer op keer weer dichtbij getrokken moet worden, omdat we de mens alleen kunnen begrijpen als we proberen die periode te begrijpen.
Zo werd ik de afgelopen week in de kampverhalen getrokken. Het ongelofelijke verhaal van Vrba is geen roman, het is zijn levensverhaal, door hemzelf opgetekend. Vrba leert dat ook, en hij leert snel. ‘Wat ik in feite leerde was de kunst van het overleven; en daarna kwam de kunst van het leven, van het beste maken van de afschuwelijke omstandigheden.’
Het boek moet het niet van de stijl hebben, want die mist de soberheid van Durlacher en er zit iets hijgerigs in. Dat heeft te maken met de rol van de verteller en het verteltempo. De gebeurtenissen volgen elkaar zo snel op dat je er als lezer vanzelf buiten adem van raakt, terwijl het verhaal toch al dwingt tot doorlezen. Ik bedoel meer dat het een verhaal is dat geen trucs nodig heeft, en jammer genoeg past Vrba wel een aantal trucs toe.
Allereerst het gebruik van uitroeptekens. Dialogen bestaan bijna volledig uit uitroepen, en worden daarom ook afgesloten worden door uitroeptekens. Dat maakt een tekst opgefokt, alsof alle mensen vanaf de reis van Vrba naar Hongarije en verder, uiteindelijk naar Auschwitz, constant tegen elkaar schreeuwen. Dat kan perceptie zijn, het kan werkelijk zo zijn, op de lezer komt het 75 jaar na de oorlog vervelend over. Er zijn heel veel boeken over de oorlog waar geen enkel uitroepteken in staat. Durlacher begreep dat. Primo Levi begreep dat. Vrba zet zijn verhaal lekker dik aan, en dat is niet nodig. Wat een leesteken al niet kan doen.
Verder heeft dit verhaal geen gewiekste Hollywood-achtige opmerkingen nodig zoals de anekdote over de jampot die bij aankomst in het eerste kamp in zijn rugtas kapotgaat en zijn kleren vuil maakt: ‘Als ze mijn overhemden en sokken willen gebruiken, dan zullen zij ze eerst moeten laten wassen!’ Inderdaad: met uitroepteken. Het voelt alsof ik naar de verfilming van dit boek kijk, al tijdens het lezen, en Tom Cruise of Brad Pitt de hoofdrol vertolkt.
Het deed me denken aan het verhaal van De laatste getuige, van Frank Krake, over Wim Aloserij die zo veel meemaakt dat het bijna niet te geloven is, op een iets andere toon geschreven, in de derde persoon, en daardoor iets meer op afstand, maar ook soms aangedikt met gedachten die vergelijkbaar zijn met de opmerkingen van Vrba. Als Aloserij van de kampbewaarders zijn bed netjes op moet maken denkt hij: ‘Wat een onzin.’ Ik begrijp de onzinnigheid van de handeling in het kamp, ik begrijp de weerstand van de gevangenen om zoiets te doen binnen deze waanzinnige kaders, maar in een vertelling over een man die gedachte prominent terug laten komen kleurt het verhaal deels in en zet de hoofpersoon bijna buiten het verhaal en buiten de andere gevangenen. De lezer kent de onzinnigheid van het opmaken van een bed in een concentratiekamp, dat koppelen aan een man die alles overleefde maakt hem anders dan de anderen in het kamp. Dat doet deze manier van vertellen.
Nog een punt: Vrba’s motief om te ontsnappen. Dat ontsnappen zit in de titel, het zit in de reis naar het kamp, het zit in de periode in het kamp. Steeds herhaalt Vrba dat hij wil ontsnappen en daar al wringt het boek, want niemand weet of hij werkelijk wilde ontsnappen, maar iedereen weet – zie de titel en de flaptekst – dat dit het verhaal is van de man die uit Auschwitz ontsnapte. Het is de vraag: lees ik het verhaal van iemand die ontsnapt of iemand die zichzelf deels boven het kamp en de omstandigheden plaatst door te willen ontsnappen en dat ook nog voor elkaar krijgt. Wanneer begon het willen?
Vanuit de luxepositie van de lezer zo lang na de oorlog is het moeilijk oordelen over de werkelijke motieven, ik kan alleen aangeven wat deze opzet met de lezer doet. Als Vrba nog maar net in het eerste kamp, Majdanek, is schrijft hij: ‘Als ik zou kunnen ontsnappen en op een of andere manier terug zou kunnen gaan naar Slowakije, dan zou ik wellicht duizenden levens kunnen redden.’
Zijn ontsnappingsmotief en de gebeurtenissen die daarna nog zullen komen lopen wel erg één op één gelijk. Ik weet, dat heb ik na het lezen van Durlacher opgezocht, dat Vrba ontsnapt is en met belangrijke informatie over de kampen in Slowakije kwam, maar wat was er eerder? Waar begon zijn plan?
Een eindje verderop, als Vrba op weg is naar Auschwitz, als ze net in de wagons geklommen zijn en de grote deuren dicht zijn: ‘Ik bekeek de tachtig mannen in mijn wagon, speurend naar iemand met wie ik een ontsnappingspoging zou kunnen wagen.’
Net een regel daarvoor heeft een SS-er de gevangenen verteld dat het zinloos is om te te ontsnappen en toch houdt Vrba zich bij zijn plan, als hij dit verhaal terughaalt. Het is alsof Clint Eastwood van Alcatraz overgeplaatst is naar Auschwitz.
Wanneer Vrba de poort van Auschwitz binnengaat, en lang daarvoor al een ontsnappingsplan had om mensen van de dood te kunnen redden, moet hij plots weer langzaam het besef krijgen wat dit voor een plek is. ‘Een van mijn belangrijkste redenen van mijn vertrek naar Auschwitz was immers geweest om te kunnen ontsnappen.’ Echter, hij ziet de wachttorens, de luchten, de hakken onder hoogspanning, en is enigszins ontmoedigd. Ook vraagt hij zich af waarom dit kamp zo streng bewaakt is. Dit moet wel een doodsfabriek zijn.
Wederom is het moeilijk oordelen, maar het voelt alsof een oorlogsheld zijn verhaal net even iets slimmer en volledig bewust uitgedacht maakt om dat verhaal nog iets op te poetsen. Het invullen van motieven en het gebruik van het woord motief is moeilijk, vanuit deze verteller. Als ze in een kamp kleding krijgen voor de treinreis naar Auschwitz, waaronder een pet: ‘Het enige waar ze (de Duitsers) zich om bekommerden was om onze kaalgeschoren hoofden te bedekken voor het oog van de buitenwereld. Maar het maakte mij niet uit wat hun motief was. Door die pet voelde ik me alsof ik naar een bruiloft ging!’
Opeens weet deze gevangene precies wat de nazi’s willen en wat hun motief is, die invulling maakt het verhaal gekleurd, het gebruik van het woord ‘motief’ is dubbel want zijn eigen motief voelt wrang, en hij denkt volledig vanuit zichzelf en vergelijkt zijn gevoel wanneer hij een pet krijgt met een bruiloft, met het onvermijdelijke uitroepteken. In deze ene alinea komen alle bezwaren tegen dit boek samen, net als bij de uitspraak ‘ik voelde me net een toerist’ als Vrba voor het eerst in Auschwitz rondgeleid wordt. Het is allemaal net te veel, alsof een zwart-wit wereld die ik ken opeens in kleur wordt uitgezonden, in rare kleuren.
Niemand weet of dat zo is, een redacteur had moeten weten dat je juist dit gevoel bij de lezer direct moet verbannen, en dat kan door uitroeptekens, gevatte opmerkingen, en tijd en plaats van mogelijke motieven naar de achtergrond te drukken. Er blijft genoeg over van dit bijzondere verhaal, en het komt beter aan bij de lezer.
Net als bij De laatste getuige wordt één man gevolgd, en is de heldenrol evident. Het is wel de vraag hoe je die rol, en de geluksfactor wordt niet overgeslagen, afzet tegen alle andere gevangenen die niet in beeld komen en die geen ontsnappingsplan hadden. Ook dat doet de vertelling. Vrba maakt van zichzelf de uitzondering, en dat hij het overleefde is niet enkel een kwestie van geluk geweest. Het was zijn wil om te overleven. Op die manier beland je in een Disney-verhaal.
Dit verhaal verdient een sobere vertelling en een mooie ingetogen toon die Vrba soms weet op te pakken maar grotendeels is hij in dit boek een verwarde verteller die zichzelf een rol toebedeelt die gezien de geschiedenis misschien klopt maar die voor de lezer toch wel vreemd voelt. Hoe dan ook: er valt weinig van te zeggen. Ik probeer over deze bezwaren heen te lezen, ik probeer het verhaal te zien zonder uitroeptekens, zoals Durlacher dat kon, en Primo Levi.
Ergens weet Vrba wel wat zijn verhaal sterk maakt, want hij vertelt niet voor niets: ‘Het feit dat Josef en ik erin slaagden het zo lang te overleven was niet iets waarvoor wij onszelf op de borst konden kloppen. Integendeel…’ De geluksfactor is zeer aannemelijk, en dat maakt de verteller nederig en tevens respectvol naar degene die het niet haalden.
Het schipperen tussen een persoonlijk heldenverslag, slachtofferrol en feiten brengt dit boek in beweging. Als Vrba over twee pagina’s een SS-er aan het woord laat met zijn verslag over het einde van het eerste kamp waar hij zat, zijn de feiten dominant. Die feiten zijn onvoorstelbaar, maar helaas de werkelijkheid. Zonder extra aan te zetten zegt Vrba dat hij geluk heeft gehad, hij ging naar Auschwitz, en dan voegt hij toch toe: ‘Aan de andere kant was Auschwitz ook geen vakantiekamp.’ Hij probeert lucht in zijn vertelling te blazen. Dat is een optie om over de kampen te kunnen vertellen. La vita e bella is een geweldig voorbeeld van een film waarin fictie de werking van de kampen en het fascisme duidelijk maken en overbrengen. De toon van Vrba wankelt, want soms weet hij niet wat hem te wachten staat terwijl hij pagina’s eerder al een plan heeft deze doodsfabrieken te ontglippen.
Ik zocht veel op tijdens het lezen. Ik keek naar fragmenten van Son of Saul, de film waarbij een man in het kamp van heel dichtbij door een camera gevolgd wordt. Zonder uitleg, zonder afstand in decor, alleen de zintuiglijke waarneming van die ene man, in geluid en beeld. Er is bijna niet naar te kijken, zo hard komt die wereld binnen.
Dichtbij de mensen komen die in Auschwitz waren, dat wil ik als lezer. Vrba lukt het wel om me daar te krijgen, maar het is zoeken en vooral in de passages die niet over hemzelf gaan lukt dat, zoals het verhaal over Franz die jam smokkelde uit de voorraadkast van de SS-ers: ‘Franz was zeker een van de opmerkelijkste figuren die ik in Auschwitz tegengekomen ben. Hij heeft het kamp overleefd en in zijn geboorteplaats Wenen, waar hij een hotel bezit, staat hij tot op de dag van vandaag bekend als Franz Marmelade.’
Dat is een goed verteld verhaal. De feiten spreken voor zich, geen uitroepteken of overdrijving, en daardoor voor iedereen invoelbaar. Een beeld kan dan zo goed werken in zo’n bijzonder verhaal: zoals een ijzersterk beeld na een beschrijving van het werk dat Vrba moest doen – met zakken cement heen en weer rennen: ‘…ik wist dat ik een onderdeel van een machine was, een radertje dat weggegooid zou worden als het kapotging.’
Of de aangrijpende passage over een verrader die omkomt in het kamp en wiens kleren verdeeld werden. Rudi Vrba kiest alleen de riem. Als hij het boek schrijft draagt hij de riem nog steeds en later schenkt hij de riem aan het Imperial war Museum in Londen.
De ontsnapping zelf is zo meeslepend dat je vanzelf mee gaat met Vrba en zijn plan om via een losse plank in het perron waar hij werkt als bagagesjouwer te ontsnappen. Hier geen vooruitlopend motief en ook geen idee om anderen te redden. Hij wil zelf ontsnappen.
Dat lukt. Hoofdstuk 15 heet De ontsnapping. Het is een triomf. Op internet is een kaartje te vinden met daarop de route die Vrba en Wetzel na hun ontsnapping lopend aflegden. Zo’n kaartje geeft houvast. Met het kaartje naast me las ik de laatste hoofdstukken. Die boden me de leeservaring die ik zocht toen ik dit boek bestelde: het meeleven met gevangenen die ontsnappen. Ondanks dat je weet hoe het gaat aflopen hoop je steeds dat het lukt. Dat is geweldig lezen.
Na de ontsnapping van Vrba pakte ik er nog een paar andere oorlogs- en kampboeken bij. Die lees ik nu.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen