Een boek met een goeie titel openslaan en direct in de eerste alinea aanvoelen dat hier een schrijver aan het werk is geweest die geestige scherpe en doeltreffende beelden op kan roepen, dat geeft de lezer direct vertrouwen. Dat boek zegt: ik neem je mee. Ine Boermans doet dat in de eerste alinea van Een opsomming van tekortkomingen, zoals gezegd een goeie titel, omdat de taal meteen duidelijk maakt dat dit schrijven op geen enkele manier een tekortkoming is. Ze begint met wc’s die te weinig zijn doorgespoeld. Zonder de geur te benoemen ruik je dit decor. Daarna: een poster voor de Nationale Depressiedag van twee jaar geleden. Dan weet je meteen dat deze verteller in een zorgcentrum zit, waar een vergeten of verjaarde poster dubbel deprimerend is. De lezer is binnen.

Nu zijn romans met hoofdpersonages die in een depressie zitten voor de maker gevaarlijk. Voor je het weet ademt het boek niet, wordt het boek de depressie zelf, of zoals Gerbrand Bakker dat in zijn privédomein zo mooi zegt: Het grote Niets. Niets voelen, denken, totaal niets. Depressie is geen emotie, geen tijdelijk gevoel dat met een zakdoekje weg te vegen is, of troostbaar. Het is niets. Het is dus een prestatie lucht in een boek over een depressieve hoofdpersoon te krijgen. Dat lukt Boermans zeer goed. Haar toon is dubbel: ik voel haar probleem, maar ik moet ook bijna hardop lachen. Bijna, want het probleem is zo echt, ik wil de hoofdpersoon niet het idee geven dat ik haar uitlach.

Lot heet de hoofdpersoon, tevens verteller. In cursief gedrukte brieven aan haar moeder leer je haar ook kennen. In de eerste brief: erfenis, krulset, schoudervullingen, lippenstift. Allemaal goed gekozen intieme lijflijke gebruiksvoorwerpen, ouderwets, gekoppeld aan een erfenis. Je weet: haar moeder is overleden. In een stukje van amper een halve pagina tekst word je middels de juiste details een compleet leven verteld. Precies wat de kracht van proza van zijn.

Tegelijk weet de lezer al snel: we gaan gesprekken met de psych krijgen, afgewisseld met brieven aan haar overleden moeder. Flarden. Geen verhaal van a naar b. Op een gegeven moment ga ik verlangen naar een eindpunt, een plot waar naartoe gewerkt wordt. Dat heeft deze kleine roman niet. Geen bezwaar, het vraag alleen een andere manier van lezen.

Wat persoonlijk speelt: dit verhaal is erg confronterend. Ik lees over een vrouw die een moeder had die niet voor haar kon zorgen, die scheidde van haar dominante vader toen het meisje vier was, een vader die haar direct zei dat het beter was dat ze bij hem kwam wonen en haar onder druk zette om voor hem te kiezen, als ze twaalf was. Ik lees het verhaal van mijn dochter, als ze straks volwassen is. Vier was ze toen ik bij haar moeder weg ging, vanaf haar tiende volledig bij mij omdat haar moeder niet voor haar kon zorgen, en het is een ingewikkeld verhaal waar ik zelf een complete roman over aan het schrijven ben, dus de spiegel die Boermans me voorhoudt over de rol van een vader in zo’n situatie is op zijn zachts gezegd moeilijk.

Dus ik haal zinnetjes uit dit boek die me minder doen, maar toch mooi en leuk zijn, alsof ik onbewust zoek naar lichtpuntjes. Als Lot bij de psych denkt aan ‘hoe eenzaam en alleen de allerlaatste dinosaurus zich gevoeld moet hebben’, lees ik haar gevoel, maar hoef ik niet naar mezelf te kijken.

Op bladzijde 34 en 35 kom ik een kernachtig exemplaar tegen van Drenthe-bashen. Er staat als samenvatting: ‘Kut-Drenthe dus.’ Boermans kan in het rijtje.

Zoals gezegd: een fragmentarisch boek. Als er op een gegeven moment een dixi uit de gracht wordt gevist en Lot daar samen met een man naar kijkt die een puddingbroodje eet, ben ik helemaal thuis in die scène. Dan zie ik alles voor me en bestaat het proza niet alleen uit gedachten en terugblikken. gedurende het boek heb ik steeds meer behoefte aan dat soort scènes. Die komen onregelmatig, ik blijf Lot volgen, met haar aandoenlijke slimme gedachten, helder ook.

Ik zoek mooie beeldende zinnetjes waar net niet alles in staat, zoals wanneer Lot vertelt dat ze in een huis woonde met dunne wandjes, en aan de andere kant van het wandje sliep een meisje dat ze soms hoorde snurken, en als de vriend van dat meisje, een aardappelboer, een weekendje kwam logeren, dan was Lot daar liever niet. Dat zie je allemaal heel goed voor je, dat hoor je.

De laatste dino, en hoe eenzaam die zich gevoeld moet hebben. Daar denkt Lot aan. Het meisje heeft problemen, ze blijkt denken. Dat levert doorgaans in de praktijk niks op, iedereen weet dat je beter iets kunt gaan doen, maar in dit geval leidt het wel tot een slim en aangrijpend en vermakelijk boek, een erg moeilijke combinatie.

Klein punt: die rood, blauw of groene dode vliegen op het omslag zijn erg onsmakelijk. Het boek lag soms op onze eettafel en dan haalde het daar weg, of draaide het om.

Jan van Mersbergen