Direct op bladzijde 19 en 21 van Jente Posthuma’s tweede roman, Waar ik liever niet aan denk, ben ik bijzonder blij dat ik twee elementen tegenkom: sterke beelden zonder uitleg die door mij als lezer vanzelf aan elkaar geknoopt kunnen worden, en haar vader.
Die beelden roept Posthuma in de paar kleine beginhoofdstukjes op: de vertelster heeft een tweelingbroer die ouder is, en vroeger altijd groter, sterker en eigenwijs was. Je weet: dit boek gaat over de verhouding tussen broer en zus. Allebei zijn ze dol op New York. Dat wordt even terloops verteld, om daarna in een kort stukje van tien regeltjes informatie te geven over de twee torens van het WTC, waarvan de een iets kleiner is dan de ander. Posthuma legt niks uit, maar je voelt dat de zus altijd in de schaduw heeft gestaan van de broer. Die ene toren is altijd net iets kleiner geweest.
Dat is schrijven in beelden waarbij de lezer zelf nog iets moet doen, maar de beelden worden zo soepel en vanzelfsprekend geserveerd dat het lezen amper moeite kost. En toch gebeurt er iets in je hoofd. Het is beeldend schrijven zoals Column McCann doet in Apeirogon, waar ik eerder over schreef, maar dan in een andere setting en met andere personages. Posthuma schrijft kleiner, Hollandser, geen politiek, maar met dezelfde scherpe intentie: de lezer indirect overbrengen wat er speelt.
Tweede element is de vader. Voor Posthuma’s debuut verscheen sprak ik haar op een ochtend in mijn vaste koffiehuis over schrijven. Jente had voor de Revisor geschreven en was met een eerste roman bezig. Ze vertelde over haar vader. Die verhalen waren zo goed en treffend, ik zei dat ze dat allemaal op moest schrijven. Dat deed ze niet. In Mensen zonder uitstraling is de vaderfiguur wel belangrijk, Posthuma schreef geen debuut over haar vader. In haar tweede boek gaat het over een tweelingbroer, maar ik lees onderaan bladzijde 21 na een treffende beschrijving van een vader die in de schuur koekblikjes op kleur gesorteerd op plankjes heeft staan: ‘Hij deed alsof, zoals hij ook speelde dat hij een leuke vader was.’
Dat ene zinnetje! De vader, daar is-ie. En hij speelt dat hij een leuke vader is. Meer hoef ik niet te weten.
NRC noemde Waar ik liever niet aan denk een knappe oefening in perspectief. Het is echter geen oefening. De recensent stipte de betrouwbaarheid van de verteller aan. Dat is een belangrijk punt in ieder boek: naast de factoren verteller, tijd en plaats is betrouwbaarheid altijd de afspraak, maar in romans die in de derde persoon worden verteld en waarbij de verteller grotendeels onzichtbaar is en geen rol speelt in het verhaal is de aanname dat de vertelling betrouwbaar is ook onzichtbaar. Het achterhouden en doseren van informatie is de onbetrouwbare factor die de schrijver voor zijn rekening neemt. Ik-vertellers zijn bij voorbaat onbetrouwbaar, ze vertellen hun eigen verhaal, vanuit hun eigen perspectief. De lezer kan niet anders dan geloven dat de vertelling die voorgeschoteld wordt waar is, ook al klopt er misschien niks van als je het vanuit de andere personages bekijkt.
Het mooie van de factor betrouwbaarheid is dat het voor de sympathie van de hoofdpersoon en of je mee kunt leven met de verteller niet uitmaakt. Dat kan voelen als een oefening, het is een van de krachtigste kenmerken van schrijven: zelfs de meest vreselijke vertellers (denk aan de SS-er van De welwillenden) kunnen sympathie en medeleven oproepen. Nu is de vertelster van Posthuma geen vreselijk personage, integendeel, haar manier van vertellen overschaduwt haar onbetrouwbaarheid. En ook die omweg maakt dit proza mooi.
Dat koppelen van die beelden doet Posthuma door nieuwsfeiten vrij droog op te noemen en plots te verbinden met het persoonlijke leven van de vertelster. Dan praat ze over Mengele, die in Brazilië verzeild raakte, net als haar vader. Daar sluit ze een van de korte hoofdstukjes mee af. Of een kleine verhandeling over zelfmoorden van schrijfsters of van mensen die van het WTC sprongen in NY, nadat de vliegtuigen erin waren gevlogen, en dan blijkt opeens de broer zelfmoord te hebben gepleegd. Het maakt de wereld van de vertelster groot, en tegelijk intiem. Het vormt organisch proza, alsof het allemaal vanzelf zo gegroeid is. Vanzelfsprekend. Er zit geen enkele twijfel in de vertelstem, en toch is ze zoekende. Dat betekent: ze zoekt overtuigend, en het vinden is niet het belangrijkst.
Het mag duidelijk zijn, ik hou erg van deze vertelstijl, door de Twentse uitgever Paul Abels gekenmerkt als ‘kwetsbare post-ironie’. Ik vind deze roman niet ironisch, wel kwetsbaar, maar ook hard. Bij een schoolfeest smokkelen broer en zus wodka naar binnen. De broer wordt gesnapt.
‘Mijn broer werd al vroeg met zijn flesje betrapt en de rest van de avond bracht hij woest dansend onder de discobol door, terwijl ik achter de dikke gordijnen in de aula mijn wodka opmaakte en me liet vingeren door een jongen die daar toevallig ook stond.’
Dat is niet alleen een prachtige zin, het is een luchtige en koele vertelling, feitelijk en met een goed ritme, maar ook bot en vrij van emotie. De discobol en de gordijnen zijn zichtbaar, ik ruik die gordijnen zelfs, en die jongen zie ik ook voor me. Altijd was er bij zo’n schoolfeest wel een jongen die ergens toevallig stond. Het fysieke is niet waar het om gaat, de verhouding met de broer staat ver boven dat vingeren. Ik weet niet of dat ironisch is. Het is tragisch en geeft blijk van relativering, en de gebeurtenissen zijn zo in de tijd geplaatst dat ze behapbaar zijn.
Belangrijk zinnetje verderop in de roman: de verteller zegt tegen haar moeder: ‘Je moet homo’s nooit in een kast stoppen.’
Ze heeft het over een foto van haar broer in de boekenkast. Helder.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen