Ik fietste over de Plesmanlaan en dacht aan Jules Deelder. Hij was jarig, afgelopen week. 75. Dat werd in Rotterdam gevierd. Ik was daar niet bij maar in gedachten was ik er wel bij.
Ik stond in een zaaltje. Jules Deelder was er ook. Precies zoals ik hem die keer ontmoette, in een zaaltje, en hij volledig het middelpunt. Door zijn pak, zijn voorkomen, zijn taal.
Alle andere mensen in het zaaltje deden er niet toe. Jules Deelder was er, zoog alle aandacht op, gaf geen aandacht terug. Hij was daar niet alleen, maar toch leek het of hij alleen was, want als alle mensen om je heen slechts poppetjes zijn, hoe dicht sta je dan bij die mensen?
Dat staat me steeds bij als ik aan Jules Deelder denk.
Jules Deelder was een paar keer op tv, de afgelopen maand. In late talkshows. Hij praatte door andere gasten heen, hij plaatste een paar rake maar ook ranzige opmerkingen. Hij zat helemaal alleen.
Op internet vertelde Jules Deelder dat hij de beste dichter van het land is. Andere dichters kunnen er geen hol van. Het was alleen zijn mening.
In de krant vertelde Jules Deelder over zijn drugsgebruik. Vanzelfsprekend verklaart dat veel. Speed en welk ander middel dan ook dat een man van 75 oppept tot een energiek jongetje van vijftien gebruik je alleen. De uren daarna, als het uitgewerkt is, komen nooit in beeld. Dat moet de ultieme eenzaamheid zijn.
Ik fietste. Ik was in een zaaltje en stond naast Jules Deelder bij een tafel. Hij pakte een flesje bier van de tafel, pakte ook een opener. Er tikte iets tegen mijn been. Het was een wandelstok. Het was de wandelstok van Jules Deelder.
Ik wist helemaal niet dat hij met een stok liep. Ik voelde wel die stok tikken. Het was irritant, zoals hij ook door mensen heen kan praten en geen oog heeft voor anderen.
Ik keek opzij. Daar stond de kleine man, Jules Deelder. Hij tikte weer tegen mijn been. Ik zei: Wil je daarmee ophouden?
Hij tikte weer heel kort en fel met de wandelstok tegen mijn been. Ik kwam bij een rotonde. De andere mensen in het zaaltje zagen het niet of wilden het niet zien. Laat die man maar even, was de gedachte, voelde ik. Dat doet hij nu eenmaal, mensen tegen hun benen tikken.
Tik tik tik. Hij wilde niet iets vragen, het was alleen zijn tikken van zijn stok tegen een willekeurig been. Mijn been.
Ik vroeg niet voor de tweede keer of hij wilde ophouden met dat tikken. Ik draaide me een kwartslag naar hem toe, pakte hem bij zijn jasje, met twee handen, ik draaide de stof tot het jasje goed strak zat en tilde hem op.
Eerst drukte ik hem met zijn rug tegen de muur. Hij was heel klein en licht. Zijn beentjes bungelden onder zijn jasje.
Eigenlijk wist ik niet goed wat ik wilde doen. Toen zei ik: Ik zet je buiten.
Dat deed ik. Ik legde hem over mijn schouder, ging een trap af, ik herkende het pand van de Bezige Bij. Ik weet waar de uitgang is, het keukentje door en dan naar links, maar ik weet ook dat er achter het pand een tuin is, met een veranda. Ik droeg Jules Deelder door een van de kantoorruimtes naar de achterkant van het pand.
Er was iemand beneden bij de kapstok. Ik vroeg: Wil jij de deur even open maken?
De deur werd opengemaakt.
Ik zette Jules Deelder in de tuin, ging weer naar boven en opende een flesje bier.
Inmiddels was ik bij de klok aangekomen aan het einde van de Plesmanlaan. Ik was in Amsterdam, helemaal aan de zuidwestkant van de stad. Ik had een heel eind gefietst. Het regende niet. In mijn kinderzitje lag een regenpak, in een geel hoesje.
De volgende ochtend dacht ik terug aan de borrel bij de uitgeverij. Ik dacht ook aan de donkere Plesmanlaan. Ik zocht een filmpje waarop Jules Deelder voorleest. Dat kan hij goed. Ik vond een gedicht (https://www.youtube.com/watch?v=EAC49IvJI70) dat op het eerste oog te simpel is, maar waarin een herhaling zit die, als een stok tegen je been tikt.
Het is een hallucinerend gedicht, mooi van eenvoud, dwingend van ritme. Opeens begreep ik hem weer een klein beetje.
Voor het lange gedicht afgelopen was en Jules Deelder bijna buiten adem was liep ik naar de achterdeur, beneden. Ik keek naar de tuin. Het regende. Hij stond er niet meer.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen