Ik droomde dat mijn telefoon op de tegels was gevallen. Hij viel op grove grindtegels. Ik zat ergens buiten. Ik hoorde al aan de tik waarmee het apparaat viel dat het niet goed was. Het beschermhoesje was trouwens verdwenen. Er was een stukje plastic van de onderkant, het scherm aan de voorkant was onder en boven in de breedte gebarsten en er zat hondenpoep aan. De barst aan de bovenkant van het scherm was het ernstigst want het plastic daarboven was beschadigd en dus scharnierde het scherm en viel het steeds naar voren. Er zaten twee grote batterijen in de telefoon, van die dikke penlites. Eentje kon ik niet terugvinden op de tegels. Ik maakte de telefoon schoon en zette hem zo goed en zo kwaad als het kon in elkaar. Omdat ik nogal praktisch ben ingesteld had ik nodig: batterijen, plakband of tape en een plek om mijn handen te wassen. Ik was op een bekende plek. Ik was op weg naar een lezing. Er was een hotel in de buurt met een wc in de hal. Daar kon ik mijn handen wassen. Ik wist een winkel, een supermarkt. Daar hadden ze vast batterijen en plakband. Op weg naar die winkel kwam ik langs een openbaar toilet dat eruit zag als een horecatoilet. Ik ging naar binnen, waste mijn handen. Er stond een man met een hoed op voor een wasbak. Hij keek me niet aan, hij keek alleen naar zijn spiegelbeeld. Hij had donkere wenkbrauwen. Ik keek nog eens naar mijn telefoon. Hij zat in het borstzakje van mijn jas. Ik kon hem maken. Ik zou die lezing wel halen en als ik geluk had deed mijn telefoon het weer voordat de lezing begon en kon ik op de terugweg gewoon op internet kijken en bijvoorbeeld mijn reisplanner gebruiken. De man deed de kraan dicht. Ik ging naar buiten. De straat was veranderd, ik was op een andere plek, en…
…waar ik eigenlijk op hoop is dat de lezer gaandeweg dit verhaal vergeten is dat het een droom was, zoals ik gelukkig gauw deed toen ik wakker werd.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen