Een enorm omvangrijk boek over socialisten in Amerika, houtzagers van Finse afkomst, over verschillende generaties – hoe zet je zoiets in elkaar? Met die vraag begon ik in De rivier van Karl Marlantes (vertaald door Frans Reusink). Van Marlantes kende ik zijn Matterhorn, een geweldig boek over de Vietnamoorlog, en met de rivier had ik al verschillende malen in mijn handen gestaan, maar ik vond het steeds te dik, alsof ik een betonklinker van de stapel pakte. Het boek weegt één en een kwart kilo. Nu las ik, en begreep ik meteen al in de proloog hoe Marlantes die familie neerzet: door klein te beginnen, op één plek in Finland, met één gezin, met één aangrijpende korte scène.

In de proloog komt de moeder van het gezin – de namen zijn Fins, moeilijk en niet te onthouden – terug van een geboorte, ze is vroedvrouw. Ze is drie dagen van huis geweest. Thuis hebben zij en haar man zes kinderen, waarvan er in die periode drie aan de cholera overleden zijn. Zo komt ze thuis: elders een kind op de wereld helpen, thuis drie kinderen verliezen. Marlantes geeft in de slotzin van de proloog aan dat het lot van al die kinderen aan elkaar gekoppeld is. Dat is deze roman.

De namenlijst van ruim een bladzijde en de kaartjes die naast de staat Washington ook Scandinavië laten zien, de openingspagina met daarop alleen: Deel één, 1893-1904, zijn gauw vergeten, het drama komt direct bij de lezer aan, en het vervolg, de jeugd van de kinderen in Finland, met de strijd tegen de Russen en de opkomst van de socialisten, ontvouwt zich als vanzelf. Opeens boezemen de 766 bladzijden me geen angst meer in.

Trouwens, het omslag deed me dit boek oppakken, en dat beeld staat ook in het teken van groot en klein: twee mannen en een vrouw bij een omgezaagde boom. Een van de mannen staat op een ladder, zeker drie meter boven de grond, en nog komt zijn hoofd niet boven de boom uit, wat betekent dat de boom zeker vijf meter in diameter is. Wat weet betekent dat de boom zo’n honderd meter hoog is. De zaag is zeker zes meter, anders trek je die niet door de stam. Dit formaat bomen, drie keer zo hoog en dik als ik ze ooit omzaagde, vragen om doorzettingsvermogen, kracht, lange adem, en kunde. Daar lees ik graag over. Ik wil deze mannen zien dagen; ik zeg ‘mannen’ omdat ik wel weet dat de vrouwen in dit boek, in die tijd, niet zagen. Zo was dat vroeger, en zo is dat nog steeds, helaas.

Marlantes brengt de Finse familie samen met de omgeving en de politieke situatie, eerst van Scandinavië onder de Russische invloed, later van de Amerikaanse westkust, waar kapitalisten hun werknemers uitbuiten. Voor de familie maakt het niet uit, persoonlijke interesse, karaktereigenschappen en eigenheid zorgen voor dynamiek in de manier waarop de betrokkenen met de situatie omgaan, van kind af aan al. De dochter is revolutionair, de jongste zoon is een knutselaar, de oudste zoon een avonturier. Voor de Finnen is Amerika het beloofde land, zeker als ze horen dat de oudste zoon daar een stuk grond heeft gekregen, voor niks, dat hij zelf mag verbouwen. Gedacht vanuit het Finland van voor de revolutie, onder invloed van het tsaristische Rusland, moet Amerika wel een socialistisch land zijn.

In de eerste hoofdstukken moet ik, door de kou en het harde leven en de Christelijke harde manier van denken, van overleven, denken aan Brimstone, de western van Martin Koolhoven. In De rivier zegt de dominee glashard dat hij een tijdens een hongerwinter omgekomen kind van amper drie jaar oud niet kan begraven omdat hij niet weet of het kind gedoopt is. Daarmee is de redenatie rond. Hard en logisch, volgens zijn geloof.

Wat Marlantes doet in zo’n omvangrijke roman is zeer gedetailleerd in scènes vertellen en helaas soms herhalingen opvoeren, en clichés gebruiken, dat alles samen in een toch wonderlijke combinatie. Als er staat dat het meisje van het gezin Russisch spreekt, denk ik: dat wist ik al. Als er een gevecht is en de jongen die als baby door de moeder van het gezin op de wereld werd gezet, een klap tegen zijn slaap krijgt: ‘Hij zag sterretjes, die in niets leken op Arcuturus, en het volgende moment zat hij op de grond.’ Een paar bladzijden eerder heeft Marlantes verteld dat die jongen zich richt op de sterrenhemel en dat Arcuturus, de berenhoeder, zijn favoriete ster is, altijd zichtbaar en helder. Op die manier wordt het ‘hij ziet sterretjes’ net behapbaar, en die verbanden legt de schrijver steeds.

Wat minder behapbaar is: de uitgesproken duiding in de manier van vertellen, vooral wanneer Marlantes aan wil geven hoe iemand kijkt of op welke manier een personage iets zegt. Alleen al op pagina 54: hysterisch snikken, uitdagend aankijken, buiten adem terugkomen, met alle plezier akkoord gaan. Het proza wordt behoorlijk dichtgetimmerd op die manier. Net even een snik of een blik, en gezien de scène en de karakters vul ik zelf wel aan hoe ze iets zeggen of hoe uitdagend ze kijken – vooral het meisje kijkt voortdurend uitdagend. Ik begrijp dat ze een revolutionair is, maar ook revolutionairen kijken niet de hele dag uitdagend.

Beter op dreef is Marlantes wanneer hij in detail grote sprongen maakt. Dat lijkt een tegenstelling, toch werkt het goed: ‘Zes dagen later vond Aino werk als dienstmeisje bij een koopmansgezin in Kokkola. Ze sliep in de raamloze kelder bij het kolenhok, waar ze een brits deelde met een ander meisje. Ze kreeg de zondagen vrijaf om met haar familie door te brengen, uiteraard op voorwaarde dat alles aan kant was na het ontbijt en dat ze om vier uur terug was om te helpen bij de voorbereidingen van het diner. Aangezien ze de zes kilometer naar het huis van de familie Laakkonen te voet aflegde, en ook nog terug moest lopen, had ze drie of vier uur de tijd.’

Ieder uur van zo’n zondag en de invulling daarvan wordt beschreven, van iedere zondag in feite, en op die manier schetst Marlantes een gedetailleerd beeld van een complete periode. Je voelt de kelder, het werk, het lopen, de afstand tot de familie en het gebrek aan tijd, het harde leven, zonder dat uitgelegd wordt hoe het meisje zich erbij voelt en hoe ze kijkt of iets zegt. Dat leven is de leidraad.

Die personages blijven wel overeind, beter dan de reusachtige bomen. De jongste zoon van het gezin Koski zoekt zijn oudere broer op, die al aan de rivier in Amerika woont, in de staat Washington, en dan begint het verhaal pas echt. Dan worden natuur, personages, leven met elkaar verweven, op een manier die rust ademt, en toch spannend is. Dan komen de Koski-kinderen weer bij elkaar, in een wereld van enorme bomen die helemaal niet zo socialistisch blijkt te zijn, veel eerder hard en meedogenloos. De een bouwt een kerk, de ander hakt, de zus blijft revolutionair en koppig. Die passages lezen goed, het tempo gaat omhoog, de storende expliciete aanvullingen verdwijnen de verhoudingen worden scherper, en vooral het hardnekkige zwijgen van de Finnen blijft overeind. Een reactie op een gebeurtenis kant twee varianten: of er klinkt een eenvoudig ‘Jo,’ of er wordt niks gezegd.

Natuurlijk is het werk dominant, in een boek over arbeiders, zwoegers. Daarover schrijven is moeilijk. Marlantes laat zijn Finnen zwijgen of alleen ‘Jo’ zeggen, zelf schiet hij soms door in iets te vet aangezette beschrijvingen. Als Matti in de houtkap gaat werken nemen direct ouderwetse clichématige uitdrukkingen het proza over: ‘het loodje leggen, dit is geen kinderspel, nog een keer het loodje leggen,’ afgewisseld met het buiten adem zijn, moeite kosten, suizen en vliegen van de handelingen – precies waar ik bang voor was. Marlantes kan de opa-vertelt-toon niet omzeilen. Het gevaarlijke beroep wordt zo beschreven dat de lezer in iedere zin moet meekrijgen dat het gevaarlijk is, en dat maakt de tekst vlak. Jammer, ik blader door de houtkap en zoek de personages, want die krijgen meer lagen dan het werk.

Wat Marlantes in ieder geval voor elkaar krijgt: dat ik in een week met een flink aantal lange treinreizen en boekhandelsbezoeken steeds dit zware boek meezeul en erbij pak, op stationsbankjes tijdens een overstap, op andere rustige momenten, om even terug te gaan naar mijn Finse vrienden. Dat is precies wat een boek moet doen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen