Op een zonnige voorjaarsdag loopt Kate Adams de Astoria Material Arts Academy uit. De deur valt zachtjes achter haar dicht. De betonnen stoep is opengebroken, er staan rood-witte pionnen, maar er is niemand te zien, niemand graaft, niemand herstelt het riool. Dit is Broadway, maar niet het grote bekende Broadway van de overkant, dit is Astoria, dit is Queens. Laagbouw, op het gebouw van de sportschool na, die twee verdiepingen heeft met daarop een driehoekige top. Het is warm, de zon brandt op haar wangen.

Ze gaat een houten loopplank over in de richting van de hoek. Bij de Candy Grocery slaat ze de zijstraat in, en de draden van de elektriciteit die aan de palen bungelen leiden haar naar La Sala, naar het kleine terras op een voormalige parkeerplek. Kate kent de eigenaar en weet dat hij geprobeerd heeft een vergunning aan te vragen voor dat terras, en toen dat te lang duurde heeft hij zijn stoelen maar buiten gezet. Niemand heeft er ooit naar gevraagd.

Kate heeft op het terras afgesproken met haar vriendin Rosie, die zoals vaker iets te laat is. Rosie moet uit Bushwick komen, het is niet ver maar alle grote wegen gaan in de richting nar Manhattan, niet naar het noorden, en het verkeer staat vaak vast. Ze kijkt even of er een goed plekje is op het terras. het is niet druk, maar de zon is fel en ze besluit een stoel onder de luifel te kiezen, aan de kant van de kapperszaak.

Als ze zit zucht ze diep, zoals je bij de dokter doet.

‘Ik dacht dat iemand een lekke band had.’

Het is Adam, de eigenaar van La Sala. Kate kijkt kort op en knikt. ‘Alle lucht is eruit,’ zegt ze. ‘Maar geen zorgen. Ik hoef nergens meer naartoe.’

‘Goed zo. Je gebruikelijke koffie?’

‘Graag.’

Adam gaat naar binnen. Een auto verlaat een van de parkeerplaatsen aan de andere kant van de straat, achter het hek, waar langs de randen het onkruid hoog staat. Achter tegen de muur ligt een kartonnen doos op zijn kant. Er steken twee benen uit.

Kate kent de buurt goed. Ze woont hier al sinds haar jeugd. Ze ging hier naar school, drie blokken verderop, en woont nu al een flink aantal jaren aan de kant van de East River. Niet met uitzicht op het water, maar de rivier is altijd te ruiken, alsof het water stilstaat en er net iets te veel troep in gegooid is, stroomopwaarts. Alsof er ergens vlakbij een bos is en al het blad van de vorige herfst ligt te rotten in stil water.

Hier bij het koffietentje zijn het andere geuren die overheersen. Diesel, petroleum, verf, natte honden, afval, en als er iemand langsloopt, vooral bij de vrouwen, de gebruikelijke sterke geurtjes om de omgeving te maskeren. Zoete, scherpe, prikkelende luchtjes, waar Kate een hekel aan heeft.

Adam brengt de koffie. Omdat er geen tafeltje is neemt Kate het kopje aan en zegt: ‘Neem dat schoteltje maar weer mee.’

‘Tuurlijk lieverd.’

Met het hete kopje op haar bovenbeen wacht Kate op haar vriendin. Ze ziet auto’s langsrijden, niet te hard, ze zit vlakbij het kruispunt. Naast haar is de nooduitgang van de sportschool, en vaag dringen de geluiden door die brede deur, kreten, het bonken van gewichten die net iets te hard terugkomen tegen het ijzer, een vlakke hand die na een val op een mat slaat. Ook ruikt ze het chloor, opeens, van iets voorbij de kapperszaak, waar in een onopvallende gevel een zwembad gevestigd is – een van de weinige overdekte zwembaden van deze wijk.

Ze neemt een slok koffie. Vandaag is de dag waar ze al heel lang naar uitgekeken heeft. Dat weet Rosie niet, dat houdt ze voor zichzelf, maar daarom heeft ze wel met Rosie afgesproken. Koffie op het terras net om de hoek bij de sportschool, en de cheesecake van Adam. Ze weet dat die heerlijk is, ze eet die cheesecake nooit, behalve vandaag, als Rosie er is.

Ze blijft wel erg lang weg.

Boven de supermarkt diagonaal het kruispunt over hangt een klok en Kate kan net de grote wijzer zien, en die is de vier al gepasseerd. Ze heeft haar koffie op. Ze zet het kopje naast haar stoelpoot.

In de verte klinkt een claxon, er naderen voetstappen en Kate kijkt in de richting van het zwembad, maar het zijn drie jongens met honkbalpetjes op, in gestreepte broeken.

Adam komt in de deuropening staan, een dienblad onder zijn arm, tegen zijn lichaam gedrukt, net boven zijn schort. Hij kijkt of iemand op het terras op de parkeerplaats een leeg glas voor zich heeft staan. Hij vraagt Kate: ‘Is ze later dan anders?’

Kate knikt. ‘Je weet het nooit met het verkeer.’

‘Zegt ze nog steeds dat het door het verkeer komt?’

Zonder een antwoord af te wachten gaat hij weer naar binnen.

Een tijdje zit ze alleen maar te wachten en te luisteren naar de geluiden, ze hoort zelfs een vogeltje, ergens. Een heel zacht fluiten van een vogeltje. Geen tak om op te zitten, en toch dat vrolijk gefloten riedeltje, dat boven de auto’s en de andere geluiden duidelijk te horen is. Zo zacht dat het indringend is, en dreigend.

Cheesecake, denkt Kate. Ze denkt alleen nog aan de cheesecake die ze zichzelf vandaag beloofd had. Het is wel vreemd om alvast die cake te bestellen als Rosie er nog niet is. Dan had ze dat meteen moeten doen. Als ze nu Adam vraagt om een stukje cheesecake, een bescheiden puntje, dan komt Rosie natuurlijk net aanlopen. Even nog wachten.

Op de stoep bij nummer zestig, aan de kant van de parkeerplaats waar de doos met de zwerver ligt, komt een moeder met twee kleine kinderen haar huis uit. Een meisje van een jaar of zeven en een jongentje dat de hand van zijn moeder steeds vasthoudt. Ze lopen naar de supermarkt op het kruispunt. Er zijn hier geen verkeerslichten zoals in Manhattan, de moeder moet op een goed moment de straat op gaan, als het een beetje rustiger is, en hopen op een paar coulante auto’s die wat vaart minderen.

Als het gezin in de supermarkt verdwenen is verandert plots de lucht, alsof er een wolk van over het gebouw aan komt drijven en het zonlicht Astoria niet meer kan bereiken. Kate merkt het, en ze voelt een kille wind langs haar onderrug gaan, ook al is er helemaal geen wolk en is het bladstil in de straat. Het komt door de lange jongen die net voor de vrijgekomen parkeerplaats staat aan de overkant van de straat, voor de kartonnen doos met de onbeweeglijke voeten.

Kate weet meteen wat er aan de hand is. Ze springt op van de stoel, die wegschuift en het kopje om tikt, en in het geluid van rinkelend porselein rent ze langs de nooddeur van de sportschool, langs de gevel van de kapperszaak, langs een paar huizen. Ze zag de jongen staan en wist direct: ik moet weg.

Ze kijkt niet achterom. Ze gaat langs een groene auto, een pick-up truck, en dan is ze bij een winkel en ze weet niet waarom, maar daar schiet ze naar binnen. Een grote fout.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen