Als je in een streek opgroeit waar niks gebeurt, in een tijd waarin niks gebeurde, dan is de kermis het evenement van het jaar. Een paar lelijke installaties, ieder jaar dezelfde botswagens, draaiende spin, bulldozerschuivers, grijpers en schiettent, en dat was het, met daar ergens tussenin de mobiele friettent van Herman de frietboer die zijn jas nooit waste of verving. Het opbouwen was al een happening. Verveelde, verwaande en botte gasten van elders, die wel het land en de steden hadden gezien en die je oplichtten waar je bij stond en waarvoor de vrouwen en meisjes uit het dorp gewaarschuwd werden, ramden die attracties in elkaar met metalen hamers die op metalen pinnen kletterden. Er werd ergens stroom vandaan getrokken op een veldje voor de lagere school waar normaal nooit stroom was. Een wonder.

In die weken kwam er ook een feesttent en dat was het echte hoogtepunt, want op de kermis was alles duur en ranzig en verveeld, in de feesttent stond je tussen je soortgenoten die aan de bar heel goed op hun plek waren en als er een dj plaatjes begon te draaien of een bandje begon te spelen en iedereen had voldoende gedronken, dan deinden ze vlonders onder je voeten alsof je op een schip stond en dan wenste je dat deze avond nooit meer voorbij zou gaan.

De kermis was er weer bij het verlaten van de tent, als het donker was en de kermisbazen opeens wel in het decor pasten met hun donkere haar en hun snorretjes en hun vieze overhemden en sjekkies, en als je over het terrein naar huis zwalkte moest je opletten voor de boksbal en voor jongens uit andere dorpen die jou als boksbal wilden gebruiken. De rivaliteit tussen de dorpen was nergens op gebaseerd, maar wel groot en onweerlegbaar.

Het mooiste en meest waardige moment van ons dorp voltrok zich toen een jongen uit een ander dorp, of beter nog: uit de stad, langs een van de dranghekken stond met een fles bier waar hij de hals vanaf geslagen had. Hij had de fles vast als een steekwapen. Dat werd hier niet getolereerd. Een beetje meppen was prima, maar wel op z’n boereneerlijks gewoon met je eigen poten, dus die jongen werd het dorp uitgejaagd, tot net voorbij het blauwe bord met een streep door de dorpsnaam, waar de polder begon. Nooit meer terugkomen, werd hem verteld. Met hangende schouders sjokte hij de donkere polderweg op.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen