Vorige week kregen we te horen op welke basisschool onze zoon van drieënhalf is toegelaten. Dat traject loopt al zeker een half jaar en is voor veel mensen buiten Amsterdam ondoorgrondelijk.
Allereerst: we wonen sinds juni 2018 in een nieuwe buurt. In Zuid ken ik alle scholen en weet ik precies welke basisschool wat te bieden heeft, hoe de ouders zijn, welke school beter is dan een andere school. Maar in deze nieuwe buurt had ik geen idee. Van verhalen van de buren kon ik wel opmaken dat de ene school goed is in dit aspect van het onderwijs en een andere school het een rooster dat gunstig is en weer een andere school kun je makkelijk met de auto bereiken, allemaal punten die elkaar ver ontlopen. De gemeente heeft een handige kaart waar alle scholen op staan, de scholen in de buurt.
We gingen kijken. Toen onze zoon drie was bezochten we open dagen. Iedere basisschool heeft een paar momenten waarop de school open is voor nieuwe leerlingen en hun ouders. Op de ene school hield de directeur een afgemeten verhaal voor een stuk of vijftig ouders over participatie en kunstonderwijs – opvallend hoe veel aandacht er op al die scholen is voor kunst. Een andere school ontving tien ouders in een erg krap zaaltje en liet de ouders alleen vragen stellen. Alles heeft zo zijn voor- en nadelen. De school die echt in de buurt zit, op de sluis van Sloten, viel op door allerlei posters aan de muur: ‘hier pesten we niet,’ en: ‘hier wordt niemand buiten gesloten.’ Ik kreeg juist het idee dat pesten hier de norm was. De directeur daar voegde er nog aan toe dat er wel eens probleempjes waren. Niet goed.
Waar letten we op?
Afstand is belangrijk. Als kinderen eenmaal een jaar of vijf, zes zijn willen ze na school bij vriendjes spelen. Als de school drie kilometer verderop is, in een andere buurt, en je gaat je kind ophalen en het kind zegt dat hij bij een vriendje wil spelen, dan kun je weer naar huis en hem vervolgens tegen etenstijd weer helemaal op gaan halen. Erg onhandig. Is de school op loopafstand, dan wordt dit makkelijker. Een jaar of tien terug kende ik mensen die in Amsterdam Noord woonden en hun kinderen naar een Ieder wijs-school in Amstelveen brachten. Dat was niet te doen. Iedere dag twee keer een half uur in de auto om je kinderen naar een school te brengen waar ze de hele dag wat spelen, dat levert een vreemd ritme, een raar idee van afstand en onderscheid en een nog eenzijdig idee van bevolkingssamenstelling op, want Ieder wijs stond voor heel erg wit.
Volgens mij bestaat het schoolsysteem niet meer. Een wijze zet. De kinderen die iedere dag naar Amstelveen werden gereden waren onuitstaanbaar, verwend en konden niet aangesproken worden op hun gedrag. Toen ze allerlei spullen aan het slopen waren en ik daar iets van zei werd hun moeder boos op me: ik mocht niet op zo’n toon tegen haar kinderen praten. Ik heb er al vaker over geschreven, de esoterische vrijplaats die monsters creëert, maar mijn idee was simpel: als je op bezoek bij anderen dit gedrag vertoont kun je beter maar heel gauw vertrekken.
Onderwijs bij de scholen in de buurt ontloopt elkaar niet zo veel, behalve dan de vrije vormen van onderwijs, die spreken me, dat was misschien al duidelijk, niet aan. De scholen die bijna als vrije scholen de kinderen benaderen kregen een minnetje. Ik ben voorstander van onderwijs waar in groepjes én individueel geleerd wordt, met basiskennis en verantwoordelijkheid. Waar kinderen na acht jaar kunnen rekenen en schrijven, en waar niet in groep vijf eens bedacht wordt: ‘O, ze gaan nu winkeltje spelen, dan kunnen ze gelijk even leren rekenen.’ Dat komt echt voor. Ik laat mijn zoon liever gewoon een lesprogramma volgen.
De samenstelling van de schoolpopulatie is erg belangrijk. Onze buurt is een volledig gemengde Amsterdamse buurt en de school zal een afspiegeling van die lokale samenleving zijn. Ik weet niet hoe je dat tegenwoordig nog moet noemen, maar volledig witte scholen zijn er niet, volledig zwarte scholen zijn er wel. Dat was in Zuid ook het geval. De scholen die gemengd waren boden beter onderwijs, gaven de kans op contact met ouders onderling en soepele man-vrouw verhoudingen. Voorbeeld: bij de basisschool met de overwegend Marokkaanse populatie zou ik als witte vader volledig alleen ’s middags op het schoolplein staan om mijn kind op te halen, tussen moeders die onderling een andere taal spreken. Met onderwijs had het nog niks te maken, de dominantie van een groep was daar te sterk. Uit de verhalen van het overblijfteam ving ik daarnaast op dat de uurtjes dat op die school onderwijs werd verzorgd voor driekwart in beslag werden genomen door orde houden en sancties opleggen.
Een combinatie van deze punten is de wens van veel mensen in de buurt die kiezen voor een school die relatief ver weg is, in Badhoevedorp, en die op het eerste oog een Hollandse witte dorpsschool lijkt. Ik weet niet hoe het onderwijs daar is, we zijn er niet naar een open dag geweest. Wel kwam ik laatst langs die school en dacht ik: prima, leuk, oké, maar Amsterdam is anders en acht jaar lang de krappe en drukke brug over de ringvaart over fietsen is geen goed idee.
Precies de eenzijdige samenstelling zag ik terug op drie basisscholen die uiteenlopend onderwijs bieden in de Punt, aan de kant van Osdorp. Het andere uiterste. Chaotische speeluurtjes, schreeuwende ouders, geen mogelijkheid om met andere ouders contact te maken, een vreemd soort gevoel van buitengesloten te worden. Dat gevoel lijkt vreemd, het is ergens logisch. Het gaan om dominantie. Als ik in dat deel van de wijk langs de gevels loop en van de vijfentwintig deurbellen van een flat er een naam is die een beetje lijkt op mijn Hollandse naam dan wordt bevestigd wat een paar maanden terug in een serie over wijken, onderwijs en samenstelling te zien was: deze bewoners zijn inmiddels de oorspronkelijke bewoners van deze wijk. Zij zijn hier geboren en hun kinderen zijn hier geboren. De Hollanders zijn de nieuwkomers, die komen hier wonen omdat de huizen in Zuid niet meer te betalen zijn. Onze zoon is in Zuid geboren. Ik begrijp goed dat eisen stellen aan die scholen vreemd is; dan geef je het signaal dat we hier komen wonen en we even gaan bepalen hoe het hier moet. Dat is niet mijn insteek. Schoolkeuze is aansluiten, niet een dominantie doorbreken door in je eentje dominant te willen zijn.
Nadat we een stuk of zes scholen hadden gezien maakten we een lijstje waarop de scholen punten kregen voor: onderwijs, de indruk, samenstelling, het gebouw en de afstand. Een school die vlakbij is maar in een rommelig gebouw een vreemd soort vrijblijvend onderwijs biedt scoort minder dan een school met secuur onderwijs net iets verder weg in een schitterend nieuw gebouw.
Zo kwam er een lijstje van zes scholen uit die op het lijstje konden. Drie scholen vielen af. De school van de eerste keuze is erg dichtbij, zo’n achthonderd meter. De tweede school is verder weg, bijna twee kilometer fietsen, maar gaf veel vertrouwen in goed onderwijs en heeft als enige twee weken voorjaarsvakantie waardoor de kinderen altijd Carnaval kunnen vieren. De derde school vond ik tegenvallen wat betreft sfeer en het gebouw is onoverzichtelijk met rare hoekjes, maar is erg dichtbij. De vierde school ligt in de buurt maar aan de andere kant van een drukke weg zodat onze zoon zeker tot groep zes daar niet alleen naartoe kan wandelen – ook aan aandachtspunt. Bovendien vond ik het gebouw maf. School vijf en zes zijn wat verder weg maar vond ik verder prima.
Het lijstje werd ingevuld en ingeleverd bij de school van de eerste keus. Afgelopen dinsdag kregen we bericht dat onze zoon op de school van de eerste keus geplaatst is. Mooi. Voor het merendeel van de kinderen gaat dat trouwens op, net als met de toelating voor middelbare scholen, waar je twaalf scholen op een lijst moet zetten.
Onze zoon ging die dag even bij zijn school kijken, ’s middags. Hij kent de plek al, zijn kinderdagverblijf is er om de hoek. Hij weet dat er ganzen lopen bij het water, dat er een grote boot op het schoolplein ligt, en dat het grote blok op het dak de gymzaal is. Hij was blij dat hij daar straks naartoe gaat, maar ook wat voorzichtig. Hij vroeg: Ben ik dan alleen?
Dat is iets wat alle kinderen hebben: ze moeten iets nieuws gaan doen, iets spannends, ze zijn de kleinste, het is overweldigend. Dat begeleiden is al moeilijk genoeg.
Je bent nooit alleen, jongen. Alleen een paar uurtjes.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen