Ik wil graag naar de speeltuin met de kiepauto, zei mijn zoontje.
Dat kan niet, zei ik. Dat kan helaas niet, die is dicht.
Hij dacht na over de kiepauto. Die is geel met wit en de wielen zijn een beetje gaar en er is ergens een stukje afgebroken, maar de laadbak doet het nog goed. Het is zijn favoriete stuk speelgoed van deze speltuin, waar ze fietsjes, schepjes, karren, ballen, van alles hebben.
Waar zullen we dan naartoe gaan? probeerde ik hem af te leiden.
Hij wist het niet.
Zullen we naar een speeltuin gewoon ergens buiten gaan waar we wel in kunnen, als er niet te veel mensen zijn.
Hij knikte, maar moest nog steeds denken aan zijn kiepauto. Ik wil naar die ene speeltuin, zei hij.
Dat gaat niet. We kunnen hier in de buurt kijken bij de klimrekjes en de glijbaan. Of verderop bij die natuurspeeltuin, maar dat is misschien wat ver. Of in Badhoevedorp.
Hij vond het allemaal maar niks. Ik wil mijn kiepauto, zei hij.
Ik reageerde niet meer. Soms kun je maar beter iets anders gaan doen. Even wat afleiding om in deze lastige tijden zijn gedachten niet bij een ouwe kiepauto te hebben, maar bij bijvoorbeeld houtjes hakken. Dat hadden we laatst al gedaan.
Hij zei: Houtjes hakken.
Hij zei het erg enthousiast, dus we gingen naar buiten, ik haalde het bijltje weer uit de schuur en zorgde nu voor een hakblok en echte houtjes die we samen hakten. Een splinter schoot weg en bleef in zijn sjaal hangen. Dat vond hij het mooiste.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen