Deze roman uit 1982, toen Charles Bukowski al in de zestig was, heeft de slechtst vertaalde titel die ik me voor kan stellen: Kind onder kannibalen. Oorspronkelijke titel: Ham on rye. Dat laatste is rogge, roggebrood. Nu begrijp ik wel dat Ham op rogge een titel van niks is, maar met broodbeleg en brood kom je al een heel eind: Bruin met ham. En ham heb je niet eens nodig: Belegd bruin. In ieder geval iets anders dan die kannibalen, dat is altijd een betere keuze.
Het boek is op die vreemde titel na bijzonder sterk. Bukowski is een schrijver die veel schreef, ondanks dat er maar een paar romans van hem verschenen zijn. Hij was vooral zijn eigen imago: een schrijvende rokkenjager, een zuipschuit. Laag aan de grond. En het mooie aan die types is, zoals ook bij Hemingway en Fante, dat hun proza bijna het tegenovergestelde is van dat imago. Iedere zin van Bukowski is goed, iedere passage schuurt tegen het sentimentele aan.
Dit verhaal gaat over zijn jeugd: herinneringen aan zijn vader, moeder, de rest van de familie. Tochtjes met de T-Ford. In het slot van het eerste korte hoofdstukje krijgt hoofdpersoon Henry een ketting van zijn opa, die naar drank stinkt. Henry vindt hem aardig. De rest van de familie, ouders blijft gewoon in de auto zitten:
‘Ze zaten buiten te wachten en ik stapte in de T-Ford en we reden weg. Onder het rijden praatten ze met hun drieën over een heleboel dingen. Ze zaten altijd te praten en ze praatten het hele eind terug naar mijn grootmoeders huis. Ze praatten over een heleboel dingen maar niet één keer over mijn grootvader.’

Wat me zo bevalt aan deze zinnen:
– Er worden geen moeilijke woorden gebruikt. Grootmoeder is het moeilijkste woord, en iedereen heeft een grootmoeder.
– De herhaling is speels en soepel: praten komt vier keer terug, in tegenwoordige en verleden tijd, en Bukowski geeft aan dat er altijd gepraat werd maar niet over die opa. Dat zet de familie neer en is schrijnend.
– Er staat geen komma voor ‘maar.’
– Dit proza heeft richting. De lezer weet steeds waar de personages zijn: in een auto, op weg naar een huis van grootmoeder.
– Toch wordt de weg en de omgeving niet beschreven. Dat is niet nodig, dat verzint de lezer er zelf maar bij. Bukowski laat Henry vertellen over het praten van zijn familie, en over de opa die alleen staat.
– Verder vertelt Henry niks. Geen uitleg over de gesprekken, alleen dat ze niet over opa gingen. Geen uitleg over de opa en de vader en alle rollen. Geen gewiekst gepsychologiseer. Verteld vanuit de jongen die Henry was klopt het precies. Het is schrijnend maar niet sentimenteel.

Zo zijn er in ieder van de 58 korte hoofdstukjes zulke passages te vinden. Iedere keer goeie zinnen die me 22 jaar geleden, toen ik het boekje kocht al bevielen, toen ik zelf nog niks geschreven of gepubliceerd had, en die me nu nog steeds bevallen.
Bij iedere keer herlezen doet het verhaal me minder maar gaan de zinnen meer blinken. Die eenzame mopperende jongen ken ik nu wel, de manier waarop hij vertelt leer ik iedere keer weer opnieuw kennen, vooral omdat het een traditionele vertelwijze begint te worden die langzaam aan het uitsterven is. Lezers willen duiding, duidelijkheid, een opgewekte toon, overzichtelijk drama en personages waarmee je kunt meeleven. Bukowski biedt treurigheid, verpakt in bijna vrolijke speelse kale zinnen.
De vader van Henry is de grootste mopperaar. Overal zoekt hij ruzie, tot in de supermarkt aan toe, waar de moeder van Henry, als er gevraagd wordt wie die vervelende man toch is, beschaamd moet zeggen: ‘Dat is mijn man.’
De vader van Henry heeft simpele theorieën: over een vervalser die dubbeltjes namaakt: ‘Godsamme, wat is dat voor ambitie?’
En over de opmerking dat deze vervalser zonder ambitie geen kans heeft gehad zegt hij: ‘En als een kikker vleugels had, zou hij zijn poten niet uit zijn gat springen!’
Typische bondige Bukowski-opmerkingen. Die kikker verandert niet, die springt wel, en toch zie je door deze opmerking zijn achterpoten opeens anders. Ze zijn sterk, maar zielig. Het springen van een kikker wordt zielig. Hij kan niet anders, want hij heeft geen vleugels. De vergelijking van een man die niks wil en die zijn kansen niet grijpt met een kikker die niks anders kan dan springen, is een krom verhaal dat door de beelden toch werkt.
Ik herlees een paar hoofdstukken en hoewel ik steeds het gevoel heb dat er nog andere boeken zijn om te lezen, boeken die op dit moment belangrijker zijn dan dit oudje, moeten die andere boeken toch maar laten zien dat ze het kunnen opnemen tegen die ouwe Bukowski, met zijn wonderlijk eenvoudige en sterke vertelstem. Zoals Henry in Ham om rye ruzie zoekt met de jongens die hem op school pestten, met vet in hun haar en dure kleren en afgetrainde lichamen, zo gaat deze pocket het gevecht aan met moderne vlotte opgedofte boeken. Ik weet al wie er wint.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen