Het was wachten tot de volgende werknemer overspannen werd. Iedereen had zijn eigen afdeling. Iedereen zijn eigen regime. Iedereen had het te druk, iedereen vond het werk geestdodend en saai, er zaten geen ramen in het gebouw, en er was een prikklok.
Ik heb het over een deel van het ziekenhuis. In de ziekenzalen konden we niet komen, daar zaten dubbele klapdeuren tussen. Ons pasje gaf geen toegang, andersom wel. Onderzoekers die in het kankerinstituut belangrijk onderzoek deden lieten zich zelden op de afdelingen bij de proefdieren zien, maar hun pasjes gaven wel toegang tot onze gangen en kamertjes vol kooien met muizen.
Op de vierde verdieping werkte een man die een complete gang met zeker tien kamers draaide. Ik werkte soms met hem, dan verschoonde ik de kooien, gaf de muizen water en brokjes, en smeerde ik hem weer. De man van de vierde had tatoeages, vet haar, zijn groene jas hing altijd open en zijn haarnetje zat achterop zijn hoofd zodat zijn kuif zichtbaar bleef.
Een verdieping lager werd een vrouw gek, van de ene op de andere dag. Ze gooide met kooien, duwde karren waar de schone kooien of het water en voer op stonden door de gang, ze trapte tegen een deur. Toen vluchtte ze de lift in en verdween ze.
Het incident werd heel rustig gemeld door de man van de andere afdeling op de derde. Hij belde met beneden. Hij zei alleen: We hebben er weer eentje, op 3a.
Er werd melding gemaakt bij de rest van het ziekenhuis, bij de arbo-dienst, bij de administratie, en de vrouw hebben we nooit meer terug gezien. Als je eenmaal doordraaide tussen deze proefdieren dan was het erg moeilijk terugkeren.
Beneden, bij de wasmachine, liep een andere vrouw een tik op. Het waren meestal vrouwen die overspannen werden. Ook zij gooide met kooien. Ik werkte die dag aan de vultafels. Naast me stond een man van zeker vijftig die hier al vijfentwintig jaar kooien in de wasstraat zette, er weer uit haalde, en vulde met zaagsel. Hij hoorde de vrouw met kooien gooien en reageerde niet. Zijn handen werkten door, hij bleef uit het raam kijken.
Buiten lag de straat waar ik nu, vijfentwintig jaar later, bijna iedere dag doorheen fiets. De middenberm is groen. Er was destijds nog niet zo veel verkeer, dat is echt veranderd, maar het uitzicht is nog even groen, de bomen en de berm, en de gracht net achter de brede straat. De man keek hele dagen naar dat plaatje, alsof hij daar hoop uit putte, alsof het hem rustig maakte. Alsof hij vanuit een wasserij van een proefdierenhuis wachtte op een konijntje dat in alle vrijheid buiten tevoorschijn zou komen en terug zou kijken.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen