Die avond, na de voetbalwedstrijd, zat ik op de bank naar een film te kijken waarin een vrouw een wandeltocht van zo’n tachtig dagen ondernam, en ik kreeg kramp in mijn linkerbeen.
Het trok voor naar mijn voet. De spier aan de buitenkant van mijn onderbeen werd hard. Ik strekte mijn voet, mijn tenen. Het trok niet weg. Ik wilde er niet te veel aandacht aan geven – er was gezelschap – maar toch was aan mijn gezicht wel te merken dat me iets dwars zat.
Is er iets?
En toen moest ik lachen. Het valt wel mee, zei ik nog, maar vooral moest ik lachen, want die kramp bleef maar zitten en ik wist op dat moment nog niet dat ik mijn been moest laten rusten op de bank en mijn voet iets naar binnen moest draaien, daar trok de kramp van weg.
Het kwam natuurlijk door mijn nieuwe positie in het veld. Een centrale verdediger die opeens rechtsback moet gaan spelen en dat eindeloze stuk langs de lijn moet rennen om voorzetten te gaan geven (één assist trouwens afgelopen zaterdag, in Almere) heeft het zwaar. Centraal achterin is heerlijk. Je hoeft niet veel te lopen, behalve als de spits gaat lopen. Je hoeft alleen maar dat duel te winnen. Niks rennen en voorzet. Als je een corner mee krijgt schuifel je op je gemak mee naar voren.
De kramp trok die langzaam weg, en die tussentijd moest ik veel lachen, vooral om de onbeholpenheid om met die kramp om te gaan. Bij toeval ontdekte ik hoe die spieren weer in het gareel te krijgen waren. Toen dat lukte was de film klaar. De vrouw had een eind gelopen en begreep meer van haar leven.
Ik begreep nu dat de uitdrukking ‘kramp van het lachen’ eigenlijk omgekeerd moet zijn: eerst was er de kramp, daarna komt het lachen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen