De week van het korte verhaal is alweer voorbij. Het kreeg bij DWDD en in de geschreven media een beetje aandacht. Ieder jaar moet het korte verhaal opgekrikt worden in aanzien. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, dat de week van het korte verhaal precies in de week voor Carnaval gehouden wordt zegt genoeg. Dan zijn erg veel mensen met de voorbereidingen op dit immense religieuze openluchtfeest bezig en heeft niemand tijd om te lezen, ook niet het korte werk. Maar Carnaval is weer voorbij, tijd om een beetje bij te lezen, de treinreis terug duurt twee uur.
In de Volkskrant, de krant die recensies steeds korter maakt, schreven Annelies Verbeke en Mohammed Benzakour een betoog waarin herhaaldelijk het belang van het korte verhaal aan bod kwam.
In Nederland wordt raar naar het korte verhaal gekeken, daar begint het stuk mee. Wie er raar kijkt buiten Carnaval om, is onduidelijk. Verderop beweren kwade tongen dat ‘korte verhalen als vingeroefeningen, opstapjes naar het ware werk: de roman. Wat een onnozelheid.’ Wie dat beweert wordt niet benoemd. In Japan is het korte verhaal groter dan de roman, in Amerika ook, hier verschijnen amper bundels en de korte verhalenprijs waarvan ik de naam niet eens wil noemen werd niet uitgereikt.
Zorgelijke vragen, onduidelijke antwoorden; het slaat allemaal de plank mis. Roepen dat het korte verhaal belang heeft zonder te laten zien wat de kracht van een kort verhaal heeft geen zin, het benadrukt alleen maar dat het korte verhaal niks voorstelt. Zoals met die prijs, het signaal dat nu gegeven wordt is: de meeste verhalen zijn niet te pruimen.
Laatst bij een literaire avond werd de gast van de volgende editie tot twee maal toe aangekondigd als ‘onderschatte schrijver’. Daar komt die schrijver op deze manier dus nooit vanaf.
Een zinnetje in het betoog van Verbeke en Benzakour gaf aan wat het probleem van korte verhalen is: ‘Verhalenbundels verwachten van de lezer dat deze telkens weer onvoorbereid plaatsneemt in de huid van een nieuw personage, openstaat voor een narratief of stijlexperiment en op zoek gaat naar een doortimmerde eenheid in de ogenschijnlijke fragmentatie. Met die manier van lezen zijn blijkbaar weinigen vertrouwd. Een situatie van onbekend maakt onbemind? Of hebben auteurs hier zelf schuld aan?’
Dat eerste klopt precies. Onvoorbereid gaan lezen, steeds nieuwe personages die je niet kent, snippers. Korte verhalen lezen is vermoeiend. Schrijvers hebben daar geen schuld aan, lezers hebben daar geen zin in. Lezers willen langere tijd meeleven met een personage. Een roman van bijna vierhonderd bladzijden verzekert je geen kwaliteit, maar biedt wel het vooruitzicht dat je met dit verhaal en deze personages een weekje onder de pannen bent en niet steeds opnieuw hoeft te beginnen.
Waarom stelt niemand in de week van het korte verhaal de vraag: Hoeveel verhalen kun je lezen in een week?
Je zou zeggen: Een stuk of twintig, drie per dag, dat moet zeker lukken. Maar dat lukt dus niet.
En dat is tevens het sterke punt van een kort verhaal: een goed kort verhaal voelt alsof je een complete roman gelezen hebt. Na een goed kort verhaal moet je even uitrusten. Even juist niks meer lezen. Belangrijke eigenschap van het genre, dat in deze promotionele week vergeten wordt, want het zegt lezers: doe maar niet.
Mooi genre hoor, ook in Amerika gewaardeerd en op waarde geschat, maar je moet er wel bij vertellen wat het doet.
In de Volkskrant proberen Verbeke en Benzakour het: ‘Een goed kort verhaal is een vak apart. Het omvat de puurste vorm van vertelkunst. Elke zin vereist perfectie en efficiëntie. Hakmes en slijpsteen dienen, in alle bloemrijkheid, streng gehanteerd. Elke zin wordt minutieus afgewogen, vaak minutieuzer dan bij romans, om de simpele reden dat bij een geringe lengte onvolkomenheden sterker opvallen. De plot moet, zoals James Joyce al opmerkte, in een kort tijdsbestek vloeien naar een epifanie.’
Pure vorm, tsja, dat is een haiku ook. Perfectie is niet nodig, evenals bloemrijkheid. Efficiëntie wel. Bondigheid, afgewogen proza. Natuurlijk, lang van stof zijn is bij een kort verhaal niet aan te raden. Ik heb opgezocht wat epifanie is: een plotselinge openbaring. Het vertelt niets over het effect van een goed kort verhaal op de lezer.
Dat effect is heftig door de afwisseling, dat effect is veelvormig door de variatie. Een kleine wereld die opeens volledig en enorm is, en dan weer verdwenen. daar moet de lezer het mee doen.
Avond aan avond aardappelen, vlees en groente, dat is een roman. Een passage wat appelmoes erbij, maar verderop weer terug naar de basis. Een kort verhaal is een bijzonder gerecht, zoals bijvoorbeeld de inktvis die ik maanden terug in Kiev at. Daarna heb ik geen inktvis meer gegeten.
Ik hou van het korte verhaal, maar dwepen met het genre hoeft niet. Dat werkt eerder averechts.
Er zijn tijdschriften die bijzonder sterke verhalen publiceren. Die tijdschriften hebben amper lezers, maar in de week van het korte verhaal hoor je bij DWDD, waar een uitgever aan mocht schuiven die af en toe nog een verhalenbundel publiceert, niemand over de plaatsen waar verhalen te lezen zijn, en in het artikel in de Volkskrant, door twee schrijvers, ook niet. De betogen zijn preken voor eigen parochie, zeker als er uit de tv-stal ook nog een bekende opgetrommeld worden om een verhaal van Herman Pieter de Boer voor te lezen.
Aardig verhaaltje, maar wel erg kort, met een minieme spanningsboog, wat ouderwets geformuleerd, en vooral expliciet anekdotisch; een vrouw komt verschikt uit de keuken, brokken roet ploffen omlaag, iemand roept gesmoord of schreeuwt, een emmer water wordt leeg gesmeten. De essentie van het korte verhaal waaraan maanden aan gewerkt en geschaafd is tonen aan de hand van een enkele pagina die in een uurtje toch echt wel op papier staat. Exemplarisch voor DWDD. Het is hetzelfde als aandacht vragen voor werkelijk bijzondere liedcultuur en een oudje van Herman van Veen laten horen:

Spetter, pieter, pater
Lekker in het water
Ga maar vast naar huis
Ik kom een druppel later

Juichen om een genre, maar alleen een behapbaar lollig stukje laten horen, waarschijnlijk uit angst voor het effect van een echt goed verhaal op tv.
Na een echt goed verhaal moet de tv een tijdje uit op om adem te kunnen komen. Even niks.
Leuk verhaaltje voor je gaat slapen? Na een goed kort verhaal kun je helemaal niet slapen.
Niemand bekommert trouwens zich om de lezers, behalve dat die wat verwijten krijgen: in andere landen kopen lezers dit wel! Dat de leescultuur daar totaal anders is wordt voor het gemak vergeten. Het blijft een intellectueel verwijt aan lezers, en eigenlijk ook aan schrijvers, uitgevers, literaire prijzen: niemand ziet ons staan.
Nogmaals: dit gaat van Calimero geen vette kip maken.
Verhalen moeten geschreven maar ook gepubliceerd worden. De uitgeverij waar mijn romans verschijnen geeft amper verhalenbundels uit. Dat is de markt. Als je een betoog houdt over een kleine niche in die markt, laat dat zien wat daar voor moois in ronddobbert. Geef de mensen de kans ze te lezen maar niet zonder waarschuwing: dit is top, maar het is vermoeiend. Dit zijn geen snacks. Soms moet je even kauwen.
Show, don’t tell, met een klein voorbehoud.
Bij de vertellersavonden in café Helmers laten Gilles van der Loo en ik iedere editie vijf gasten een verhaal voorlezen dat ze echt goed vinden zonder dat er zes herhaald wordt dat het goed is, of geweldig, of zo mooi, zo mooi. Soms zegt wel iemand dat het verhaal mooi is, meestal na afloop van een verhaal, soms alleen door een korte hoofdknik.
De opzet is: we laten zien hoe een goed verhaal een minuut of zeven een kroeg stil krijgt. Dat gebeurt, terwijl de bar gewoon open is. Tot achterin café Helmers hangt een concentratie en de oorzaak is een verhaal en het spel tussen schrijver en lezers, of toehoorders. Op zo’n moment voelt iedere aanwezige hoe bijzonder een verhaal kan zijn.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen