Het grootste motief om te gaan schrijven aan mijn nieuwe boek was een knagend gevoel van schuld. Een gevoel dat niet klopte, maar waar ik zelf toch steeds een deel van geloofde. Lange tijd, en nog steeds, werd er prikkend en sarrend gesteld, als reactie op mijn pogingen een gezin, en later een uiteengevallen gezin, te structureren en normaliseren, dat ik het ook allemaal niet zo goed deed. Die kaats terug was moeilijk.

Het ging van klein naar groot, maar altijd hetzelfde patroon. Stelde ik dat het toch in ieder geval beter is wanneer de kinderen op tijd op school komen, kreeg ik terug dat ik soms ook wel eens ergens te laat kom. Zei ik dat voetsteuntjes echt nodig zijn omdat je anders met je voet tussen de spaken kunt komen, was de reactie dat ik ook wel eens tegen iemand aanbotste in het verkeer. Afspraken maken over bedtijd van de kinderen werd altijd wel gemengd met het aangeven dat het bij mij in ieder geval niet gezellig is. Probeerde ik aan te geven dat het niet gezond is wanneer kinderen de verantwoordelijkheid voor het avondeten krijgen, kreeg ik terug dat ze bij mij toch ook mee moeten helpen en klusjes moeten doen. Begeleiding van de kinderen, zorg voor de kinderen, eenvoudig er zijn werd ook weerlegd, want ik ging soms ook weg, toch? Verwrongen moraal als tegenargument.

De normen, veiligheid, verantwoordelijkheid, structuur waar ik me hard voor maakte kregen in ieder geval als reactie terug: je bent een zeikerd, met je veiligheid en regelmaat. Het begin van die gesprekken was: er is hier niks aan de hand, er zijn alleen meningsverschillen over opvoeding. Die reacties vreten aan vertrouwen, zwengelen het gevecht aan, maken ook onzeker, en zijn bovendien erg vermoeiend.

Nu ben ik koppig en kan ik volhouden, een prima combinatie van eigenschappen die na deze scheiding van pas kwamen. Al trekt het me helemaal leeg, ik bijt me vast in mijn standaard, zeker als het over mijn kinderen gaat. Eerder al schreef ik over een dame van een instantie die zei dat ik moet. Je moet. Veel later kwam er een berichtje, toen alles nog niet klaar maar wel alweer bijna afgesloten was, dat ik lange adem nodig heb. Dat wordt van me gevraagd: een lange adem.

Toen het uiteindelijk helemaal uit de klauwen liep en ik alleen voor de zorg van de kinderen kwam te staan en ik vooral tegen de dichte deuren van de instanties aan het duwen was, dacht ik vaak terug aan die lange adem. Die werd niet pas gevraagd toen ik bij de instanties aanklopte, die eerste hap adem nam ik tien jaar geleden al, toen ik vertrok en vanaf nul begon en op alles wat ik deed steeds die reactie kreeg dat ik, hoe ik me ook inzette, eigenlijk een slechte vader was.

Een vriend hielp me. We dronken een borrel en hij pakte me vaste en was heel duidelijk. Hij zei: ‘Jij doet het goed.’ Verder zei hij niks, hij keek me gewoon recht aan. Die woorden en mailtjes van de instanties ben ik veelal weer vergeten, dat heeft vrijwel niks opgeleverd; de bemoediging van deze vriend passeert nog heel vaak in mijn hoofd – die woordjes en zijn blik. Dank daarvoor.

*

Een goede moeder verschijnt over vier weken (vervroegd).

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen