Na Verdriet is het ding met veren zou Max Porter nog een boek gaan schrijven, maar wat voor boek? Die vraag hield me al tijdens het lezen van het mooie boekje met de kraai bezig, en die vraag krijgt nu een antwoord met Lanny. Het probleem van Lanny is: het is ook een mooi klein boekje, net als zijn voorganger, maar het leest als een herhalingsoefening.
Verwachtingen zijn moeilijk bij lezers. Wat verwacht iemand die Bonita Avenue heeft gelezen en welke druk legt de schrijver van het boek na Bonita Avenue zich op? Wat wil hij gaan maken? Antwoord: drie dikke delen die nog verder moeten reiken dan dat eerste boek, die beter zijn, indrukwekkender.
Na Verdriet is het ding met veren koos Porter voor een verhaal over een gezin met vader, moeder, zoontje, en een kunstenaar. Over kunst, schrijven, tekenen. Over familieverhoudingen. Het verhaal wordt echter verteld met de middelen die ook in Verdriet is het ding met veren zijn ingezet: korte alinea’s met beelden, haast losse zinnetjes, vluchtig proza dat door de aangrijpende achtergrond en het verdriet en de rouw één geheel vormden. Nu heeft Lanny verschillende sprekers, een raadselachtige boom wordt neergezet, hij vangt geluiden op, het decor wordt een veelheid van kreten, de personages komen ook al snel aan het woord, ieder netjes op een verschillende manier, je leert ze wel gauw kennen… Maar waarom leef ik niet zo mee als met die kraai?
Porter roept mooie beelden op, wederom. Krullerig vormgegeven zinnetjes, geluiden die de boom opvangt. Een boom die een oranje Fantadop een rondleiding geeft. Dat is sprookjesachtig. Ik zie die dop wel gaan. Maar de lukrake zinnetjes over natuurwetten, bedreigingen, magie en kunst, die alles tezamen een groter beeld moeten maken van de machtige natuur waar de mens ook soms nog tussendoor loopt, doen geforceerd aan.
In het tweede deel zweven plustekens over de bladzijden, eerst mooi maar al snel voelt het als het oprekken van de tekst van de kleine witregels zijn nu witregels met een plusteken ertussen, ongeveer tweehonderd regels waar alleen een plusteken op staat, dat is irritant vulsel van bladzijden.
Deel drie is weer veelvormig maar ook weer terug naar deel 1, behalve dat er soms een derde persoon doorheen glipt. Verscheidenheid die voorspelbaar is.
Ik begrijp de bedoelingen, ik effect is: ik het proza een stuk minder.
Dat komt omdat ik de middelen in het kraaienboekje al geproefd heb. Dat komt omdat ik nu veel liever een verhaal had gelezen dat met andere middelen was verteld. Die boom aan het woord laten, oké dat is te doen. Er zijn schrijvers die een complete roman door een paard laten vertellen, maar niet als het vorige boek al door een schaap verteld was.
Porter wisselt de kraai in voor een boom, wisselt de familie in voor een andere familie. En het voelt allemaal hetzelfde. Ik wil als lezer niet steeds hetzelfde lezen.
De vorm is eenduidig en speels, maar soms wordt gewoon een scène beschreven waarin bijvoorbeeld de vader vertelt over zijn dagelijkse reizen naar zijn werk of waarin de moeder vertelt over de jongen die iets van kunstenaar Pete kapotgemaakt heeft en ze samen sorry gaan zeggen. In die scènes is nu het verhaal ondergeschikt aan de vorm want ook dan past Porter de witregels toe, steeds die ruimte tussen de zinnetjes, net iets kleiner trouwens dan een witregel, en dus wordt de scène opgesplitst in fragmentjes terwijl de gebeurtenis niet fragmentarisch is. Als deze bladzijden gaan over wat er gebeurt, vertel dan gewoon wat er gebeurt.
Iedere bladzijde moet die spannende speelse vorm hebben, ook als de scène daar niet om vraagt. Ook als de jongen met de kunstenaar het bos in gaat. Erg kleine lettertjes vertellen me dat hier bijen zitten. Leuk, en de vorm past het beste bij de kunstenaar, maar als de moeder twee bladzijden verder weer aan het woord komt en er eigenlijk een mooie dialoog tussen moeder en zoon kan komen, lees ik schokkerige stukjes tekst met witruimte, en dan krijgt de weerstand tegen de gekozen vorm de overmacht.
De moeder en de vader zijn wel eigen, maar de vertelvorm is bij beide ouders hetzelfde. Dat gaat storen. De moeder geeft netjes weer welke dialoog ze met haar zoon voert, de vader een volgend hoofdstukje ook.

Kan ik je een geheim vertellen?
Ja, graag, dat zou ik heel leuk vinden.
(…) Ik wil het niet aan papa zeggen want dat wordt hij misschien boos.
O. En hoe weet je zo zeker dat ik niet boos word?
Jij wordt nooit zo heel boos.
Dit zou de eerste keer kunnen zijn. Oké, vertel op.
Ik ben een prieel aan het bouwen.

Dat wordt dus verteld door de moeder, maar die heeft zich even net zo verstopt als de jongen van plan is zich te gaan verstoppen in dat bosprieel. Dit is Porter aan het woord, in een derde persoon, een dialoog tussen mammie en zoon.
Volgend hoofdstuk, de vader. Wat? Niks ga slapen. Zo gaat het nu al een tijdje…
De vader verstopt zich ook, als verteller. Dat is wel interessant. In een boek over een jongen die verdwijnt, verdwijnen steeds ook de vertellers, en dat komt door de gekozen vorm.
Soms vertellen ze wel, die verschillende ik-personen. De vader over dat hij bij de kunstenaar ook even aan het schilderen was, en dat beviel hem goed. De moeder blijkt een depressieve actrice te zijn, een wankele huilende freak, en ook al vertelt ze dat vlot en goed, ook dat verhoogt mijn weerstand want met depressieve actrices heb ik zelf een verleden, en daar wil ik helemaal niet over lezen. Ik ben blij als ze een egeltje in de tuin hoort ritselen, en daarover vertelt. Krankzinnig en bloederig, maar in ieder geval niet direct over haar eigen problemen.
Die buitensporige factoren zijn ergens clichés. De kunstenaar is maf, de kantoorvader is bekrompen maar vindt toch stiekem de kunstenaar wel leuk, de moeder-actrice is een beetje gek en zorgelijk, de buurvrouw roddelt. Het gekke jongetje is fantasierijk. Het zijn vervelende aannames. Stereotypen die niet zo zeer doorbroken moeten worden, ze hoeven niet opgevoerd te worden. Ze zijn zo stevig aangezet dat voor de verfilming van Lanny alleen Hugh Grant de rol van de vader kan krijgen.
En buiten dat gaan de stukjes over de ouwe boom steeds meer op verslagen van dierenactivisten of extreme milieubeschermers lijkt, dus ook dat gaat behoorlijk tegen staan.

Wat er volgens mij gebeurd is: de redacteur van Porter (die zelf werkt bij een uitgeverij en redacteur is bij Granta) heeft Lanny vast gelezen en heeft gedacht: mooi, die vorm. Herkenbaar. We borduren voort op de kraai. Komt goed. Dertig landen vertaald, echt verrassend boekje. Dat kan nu ook.
Doen we.
En in dat proces is er niemand geweest die heeft gezegd: Waarom dit allemaal weer opnieuw, Max?
Natuurlijk kan dat wel, maar tijdens het lezen van dit boek ben ik bang dat het volgende boek weer die vorm heeft. Nu al. Door de vorm van het eerste boek tijdens het lezen van het tweede boek met dezelfde vormmiddelen al bang zijn voor het derde boek.
Dat gebeurde me als lezer, al voor ik op de helft was van Lanny en voor ik mee kon leven met zijn verdwijning, omdat ik steeds maar hoopte dat de vertelvorm die mij mee had moeten nemen met die verdwijning zelf zou verdwijnen.
Een boek over een verdwijning, met verdwijnende vertellers en uiteindelijk een lezer die maar moeilijk in dit boek kan verdwijnen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen