Die dag was ik weg. Ik vertrok in de ochtend. Ik nam de trein, ik nam de bus, om veel later de omgekeerde weg weer terug naar huis te nemen. Het was donker. Ik had een bus te laat en een trein te laat en de avondklok tikte door en toen ik door de stad fietste was er helemaal niemand meer op straat. Ik werd niet aangehouden, er was echt niemand. Ik kwam thuis en ik was helemaal leeg. Letterlijk, want op een zakje drop na had ik niks gegeten. Ik was ook leeg omdat er die dag even helemaal niks was. Ik zag de brede rivieren stromen. Ik liet me de bruggen over rijden. Die dropjes waren lekker. De polder was leeg. Ik ging naar vrienden en kon alles wat ik thuis achtergelaten had daar aan de keukentafel voorbij laten komen en van een andere kant bekijken. Het was alsof er dobbelsteen gegooid werd en ongeacht hoeveel ogen boven lagen, alles wat het leven maakt, alles wat het leven moeilijk en makkelijk maakt, passeerde. Zonder dagelijkse beslommeringen, zonder huis, zonder kinderen, zonder boodschappen, zonder koken, zonder internet, zonder werk. De avondklok kan daar niet tegenop, en hoewel ik wist dat het lastig was om mijn kinderen te zeggen dat ze om negen uur binnen moeten zijn, maakte juist dat besef en het vullen van die leegte dit uitstapje zo waardevol. Even afstand nemen van alles wat er in mijn leven is heeft alleen zin als er werkelijk even afstand is, in plaats en tijd. Pas dan komt alles wat er in mijn leven is als een boomerang terug. Nog een dropje? De laatste. Terug waren de rivieren donker. Terug was alles anders. Ik fietste heel langzaam. De stad was leeg. Thuis was alles ook anders. Het was geen kwestie van begrijpen, het was een kwestie van voelen. De leegte van plaats en tijd. Mezelf.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen