Er is iets aan de hand met leesbevordering. Het begrip is inmiddels zoiets geworden als duurzaamheid of inclusiviteit: iedereen roept: ‘Ja, leesbevordering,’ terwijl niemand weet van hoe of wat, zeker niet als het om literatuur gaat. De stelling is eenvoudig: steeds minder mensen lezen, vooral steeds minder jonge mensen. Dat moet verbeteren want de stelling die daaraan voorafgaat is dat lezen goed voor je ontwikkeling is, vooral het lezen van literatuur. Dus worstelen mensen in het boekenvak, van schrijvers tot uitgevers, van boekhandelaren tot influencers, met de vraag hoe ze jongeren aan het lezen gaan krijgen. Een paar stappen wordt voor het gemak overgeslagen, wat de missie kansloos maakt. Daarom: een aanzet tot werkelijke veranderingen, op verschillende fronten.

Allereerst de aanname dat lezen goed is voor je ontwikkeling. Je zou er een beter mens van worden. Laaggeletterden zijn vaker werkloos, stelde Adriaan van Dis in de Volkskrant. Lezen is dan een middel om ze aan een baan te helpen? Ik geloof dat er wel meer factoren spelen. Misschien is het aandeel van werk waar laaggeletterden een kans op maken (aardbeien plukken, schoonmaken, autorijden) sterk verminderd? Misschien is het tegenwoordig zelfs voor dat werk handig wanneer je kunt lezen, en is er sprake van verdere selectie. Aan de andere kant van het spectrum ken ik wel een paar mensen die veel lezen, maar of het goeie mensen zijn durf ik niet te zeggen. Het kan natuurlijk zo zijn dat deze mensen, als ze niet gelezen zouden hebben, nog slechtere mensen waren geweest, ik heb zelden de indruk dat het lezen deze mensen tot betere mensen maakt. Eerder is hun woordenschat groter, hebben ze het vermogen bepaalde moeilijke onderdelen van verhalend proza of poëzie aan elkaar te knopen en op die manier de kunst, die literatuur soms is, te begrijpen. Maar een beter mens worden door lezen of literatuur? Niemand die het weet, dit soort zaken zijn alleen individueel te bekijken. Erg veel mensen voelen zich op het moment waarop ze literatuur lezen helemaal niet goed – ook een kenmerk van literatuur. Daarnaast zijn er veel lezers die, omdat ze literatuur lezen, zich vooral beter voelen dan anderen – een nog vervelender en hardnekkiger kenmerk van literatuur, voor mij als geschoold cultuursocioloog bijzonder interessant.

Over mezelf kan ik zeggen dat ik sinds ik veel lees, ongeveer vanaf mijn negentiende, ik me niet beter of slechter voel, want ik had al die tijd ook kunnen voetballen of naar sitcoms op tv kunnen kijken, en vooral dat laatste is wat makkelijker te behappen en daardoor had ik me misschien wel een veel beter mens gevoeld. Boeken hebben me doen worstelen met taal, met het leven, met alles. Soms was ik jaloers op mensen die niks lazen, die hoefden die worsteling niet aan te gaan. Wel denk ik dat ik schrijver ben geworden mede omdat ik veel gelezen heb; omdat ik eerst gekeken heb hoe andere schrijvers hun boeken geschreven hebben. Maar ik geloof niet dat de mensen die nu weinig lezen allemaal schrijver moeten worden.

Er schuilt iets in de aanname dat lezen goed voor je is zoals gezond eten goed voor je is. In mijn jeugd werd er op scholen schoolmelk uitgedeeld. Dat was gezond. Daar zat calcium is. Er waren kinderen die dat blijkbaar thuis niet kregen en een omvangrijk overheidsplan werd opgezet om kratten vol kleine plastic bekertjes met melk op steekwagens de scholen in te rijden. Ik herinner me de iets lauwe halfvolle melk nog goed. Het was waarschijnlijk wel goed voor mijn jonge lijf, de zure smaak is vooral blijven hangen. Die melk was heel anders dan de ijskoude heerlijke melk die ik thuis na het voetballen dronk, een enorme beker die ik in een keer leegde. Niet omdat het goed voor me was, omdat ik op dat moment na het trainen voelde dat ik die melk nodig had.

Op dezelfde manier worden nu boeken scholen ingeduwd, liefst literaire boeken. Door eindeloos te herhalen dat het lezen van deze romans goed voor je is en de schooljeugd vervolgens aan het lezen te zetten zonder eerst te peilen hoe die jongeren zelf, thuis en in hun familie met boeken omgaan, en vooral ook zonder de kracht van boeken een kracht op zichzelf te laten zijn, mist lezen iedere waarde, behalve dat er een soort weeïge zure smaak gaat kleven aan alles wat maar neigt tot een verhaal, of erger nog: literatuur.

Sommige schrijvers zijn heel goed in staat hetgeen ze maken op scholen te verkopen, en dan bedoel ik: de werking van literatuur op zo’n manier mee te geven dat iedereen die het hoort begrijpen kan wat zo’n boek voor waarde heeft. Er zijn echter ook een heleboel schrijvers die totaal niet uit kunnen leggen wat hun boeken zouden kunnen betekenen, die liever uit de hoogte blijven doen en blijven hangen in een elitair en tegelijk onbeduidend zweverig idee van literatuur als kunst. Nu is literatuur kunst, maar als de makers de werking van kunst niet kunnen overbrengen dan gaan mechanismen spelen die buiten de kunst vallen. Vooral: hiërarchie. Deze schrijvers voelen zich beter dan de lezer, en de tussenpersonen (docenten, uitgevers, moderatoren) schurken tegen de schrijvers aan omdat daar meer status te behalen valt dan bij die simpele lezers.

Literatuur is voor de meeste lezers niet te bevatten, en dat is niet erg. Schadelijker is het wanneer schrijvers zelf verkondigen dat literatuur niet te bevatten is, om op die manier onderscheid te maken, allereerst tussen literatuur en niet-literatuur, en daarnaast natuurlijk tussen de literaire schrijvers die aanzien verdienen en de kukels die maar wat krabbelen. Het door God geschonken literaire vermogen kunst te maken is deze schrijvers nu eenmaal gegeven, en hoe wolliger ze over de kunstvorm praten, hoe meer aanzien ze van vooral het leespubliek krijgen. Hoe nukkiger, afstandelijker, arroganter de schrijver, liefst met onbegrijpelijk vage uitspraken over schrijven en over boeken, vol kwalificaties maar zonder onderbouwing, die uiteindelijk vooral gaan over de zelf verworven status: hoe meer lezers denken: dat moet wel een echte schrijver zijn!

Als ik tijdens lezingen vertel over de werking van tekst, van proza, van tijd en plaats, van koppelingen tussen personage en lezer, hoe beelden in het hoofd van lezers grotere en veelzijdiger beelden kunnen worden, hoe indirect woorden op je gevoel werken, hoe expliciete zinnetjes minder gevoel overbrengen dan kaal proza, al die tegenstrijdigheden, alles aan de hand van voorbeelden, dan krijgen de aanwezigen echt wel een helder idee van wat literaire kunst kan doen met een lezer. Tegelijk wordt echter een romantisch idee ontkracht, want de niet te vatten mechanisme van kunst zijn opeens heel eenvoudig en het gevoel dat blijft hangen is teleurstelling. De mythe vervaagt. Schrijvers, zo is het idee, beginnen ergens in de loop van de dag met een wit vel papier en wachten tot er iets ingegeven wordt, tot de kunst gaat stromen en de pen als vanzelf over het papier gaat. Dat mysterie is schrijven, volgens veel lezers. Mijn idee: schrijvers bouwen. Ze bouwen dan geen bouwwerk dat door iedere leek te meten is, waarvan je als het scheef staat kunt zeggen dat het niet goed is, maar de werking van literatuur is hetzelfde als dat van een bouwwerk dat stevig staat en niet lekt. Dat is de crux bij onwetende lezers: ze bekijken een gammel lekkend schuurtje maar blijven geloven dat het een paleis is, omdat anderen dat zeggen.

Dat onvermogen en het gebrek aan lef dat lezers parten speelt om duidelijk aan te geven waarom een literair boek niet werkt is de basis van de ontlezing. Jonge lezers moeten schoolmelk drinken maar ze mogen niet zeggen hoe het smaakt. De moeilijkheid is natuurlijk dat maar een zeer beperkt aantal mensen aan kan geven waarom dat boek op die lezer zo’n effect heeft. Zelfs docenten die met leeslijsten wapperen en voor jongeren het baken zouden moeten zijn in deze onbekende wereld, komen vaak niet verder dan een minachtend praatje dat de boeken wel geweldig zijn, omdat ze er zelf zo van genoten hebben, en dan ligt het aan de leerlingen zelf. Die moeten nog maar een slokje zure melk tot zich nemen, dan leren ze het wel.

Het enige wat werkt is eerlijkheid en verdieping in de waarden van literatuur, en dat is een persoonlijke waarde die pas gaat gelden wanneer een lezer gaat lezen en met alle bagage die hij of zij heeft verbindingen gaat leggen tussen eigen hoofd en proza. Dan ontstaat er iets. Soms is dat niet zo mooi, en geeft die jongere dat aan dan wordt er eigenlijk aan de docent gevraagd uit te leggen waarom het betreffende boek deze uitwerking heeft. Het is literatuur, maar het is ook melk die over de datum is. Zo lang er maar gedramd wordt en de melk met trechters toegediend, zoals ganzen vetgemest worden, gaat lezen echt geen vlucht nemen.

In het circuit van scholen, boekhandels en lezingen, en in de wereld van uitgevers en recensenten, moet ook geschakeld worden. Allereerst moeten jonge lezers begeleid worden, en de begeleiders moeten opgeleid worden zodat ze werkelijk kunnen onderzoeken wat literatuur bij individuele lezers doet. Dat is niet het kneden van één type literatuur, dat is het kneden van lezers zodat ze niet meer opkijken tegen iets wat niet te bevatten is, maar het vermogen om te bevatten wat de persoonlijke werking van die literatuur is, liefst op zo’n manier dat ze de schrijvers aan kunnen in een gesprek over die boeken. Moeilijk, want zelfs recensenten zijn veelal fans die amper uit kunnen leggen wat een boek doet, of afgunstige figuren die nu eenmaal bepaalde schrijvers niet moeten en op die manier boeken lezen. Moeilijk, want boekhandelaren zijn een belangrijke schakel, maar denken (terecht) ook aan de verkoop. Moeilijk, want een gespreksleider zal zelden kritisch durven te zijn over een boek als de schrijver ook aanwezig is. Toch zijn dit de factoren die kunnen zorgen voor begeleiding waardoor lezers grip kunnen krijgen op wat schrijvers maken.

Schrijvers zijn het derde niveau waarop aan leesbevordering gesleuteld moet worden. Schrijvers die vanuit hun verworven status als literair schrijver romans afleveren die zo hermetisch en gesloten zijn dat geen lezer ze tot zich kan nemen, zonder bewust te zijn van de werking van die teksten, en erger nog: zonder het effect van dat proza op lezers serieus te nemen, verdienen geen rol bij leesbevordering. Ze schenken zure melk, en blijven volhouden dat het geen zure melk is. Nu is het moeilijk een literair bouwwerk af te leveren waarbij je bij voorbaat weet wat het gaat doen, om die knieval vraagt niemand, het is wel mogelijk over dat bouwwerk in gesprek te gaan en te ontdekken dat schrijven niet stopt bij het zenden, maar dat er ook toehoorders zijn.

Dat laatste wordt door schrijvers niet vergeten, want als toehoorders (lezers) staan te juichen zijn ze welkom. Dan klimmen schrijvers uit hun ivoren toren om gelauwerd te worden. Prijzen spelen hierin een belangrijke rol. Het grootste mechanisme in literaire wereld dat zorgt voor hiërarchie en tevens voor een kloof tussen lezers en schrijvers zijn literaire prijzen waar nooit aangegeven wordt wat de werkelijke kracht van literatuur is, maar waar wel medailles uitgereikt worden zodat lezers gemakkelijk kunnen zien welk boek het beste is. Lezers worden op die manier buitenspel gezet, en het is jammer dat deze mechanismen door de hele sector omarmd worden, want boekhandels kopen deze boeken in, er wordt een complete dozenschuiverij op gang gezet van een product zonder dat de individuele werking van dat product serieus genomen wordt.

Aan de kant van de lezers is het dus zaak ze te begeleiden, aan de kant van de schrijvers is het zaak de mythe weg te vagen. De samenkomst van die twee is essentieel. Gesprek. Als tijdens een lezing een literair schrijver begint te kletsen over het belang van literatuur maar dezelfde schrijver wil niet in gesprek gaan over keuzes in de roman die ertoe leiden dat lezers afhaken, dan blijft alles in stand en wordt er eigenlijk tegen de aanwezigen gezegd: ‘Als het je niet zint ga je maar lekker Netflix kijken.’ Echter, als een schrijver die keuzes in het maakproces kan vertalen naar de uitwerking op die ene lezer die het niet vatte, dan zal die lezer het boek weer openslaan en met een ander idee herlezen en wellicht wel voelen wat de bedoeling was. Gespreksleiders, docenten, recensenten en ouders hebben een belangrijke rol: dat gesprek serieus aan durven te gaan.

Momenteel is angst de grootste speler in het spel om leesbevordering. De kans is groot dat lezers niks durven te vragen. De kans is groot dat bovengenoemde tussenpersonen niet durven te zeggen: ‘Wees nou eens concreet over wat er in je boek gebeurt.’ De kans is ook groot dat schrijvers weglopen, want dit is iets anders dan veren in je reet krijgen – het principe waarop het lezingencircuit momenteel gebouwd is. Dus iedereen houdt z’n mond, er wordt geklapt voor de koning, jongeren tikken hun zoveelste verloren uurtje op school af. Zo lang deze angst heerst is leesbevordering een mythisch maar leeg begrip.

Schoolmelk bestaat al lang niet meer. Dat is niet erg, jongeren drinken thuis hun melk wel, lekker koud, direct uit de koelkast. Dat is het uiteindelijke doel van leesbevordering: jongeren op zo’n manier begeleiden, ondersteunen en faciliteren dat het verplicht afraffelen van een leeslijst op scholen helemaal niet meer nodig is.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen