Meteen nadat ik het debuut van Leonieke Baerwaldt uit de envelop heb gehaald, dank voor het toesturen uitgeverij Querido, valt me het motto op, een van de beste zinnen uit de wereldliteratuur, waar ik al vaak over schreef: ‘Mijn moeder is een vis,’ en de hoeveelheid witruimte in dit boek. Meteen goed, dat motto, en daarbij hou ik van vissen en heb ik in de week voordat ik aan Hier komen wij vandaan begon voor het eerst sinds tijden weer eens een visje gevangen bij de sluit in Sloten, op het stuk waar de lelies nu net even te hard groeien en zo uitbreiden dat over een paar weken deze visplek compleet ingenomen is door de planten.

Over witruimte schreef ik ook bij het debuut van Vincent Merjenberg. Dat boek kent in totaal zeker vijftig lege pagina’s, en dat oppompen van een boek van naar schatting 40 duizend woorden (navraag leerde me dat het 30 duizend woorden zijn) tot een roman van 220 bladzijden is bij Baerwaldt ook gebeurd: zo’n 60 pagina’s zijn helemaal leeg, in totaal, als je alle ruimte meerekent die ontstaat wanneer een hoofdstukje steeds pas op de zevende regel begint en net voldoende lengte heeft om op de volgende bladzijde door te gaan om na drie regels weer afgelopen te zijn. Net als bij Merjenberg zijn de zes verschillende delen ook nog eens geduid met Romeinse cijfers op een rechterpagina waarna de tekst pas weer op de volgende rechterpagina begint. Ik weet ook wel dat een witregeltje of een alinea of een kleine inspring de leesbaarheid bevordert, maar een kwart van het totaal wit, dat is oplichterij. Ik weet ook dat wanneer je een boek oppakt in de winkel het moet voelen als een stevig boek, maar als je het boek openslaat en je moet het proza zoeken in een doolhof van wit, dan voel ik me bekocht. Het is echter helemaal niet erg, een dun boek. U merkt, ik heb een hekel aan bladeren, ik lees liever.

En als ik dat doe ben ik gelukkig meteen verlost van mijn bladspiegelergernis, want na het motto volgt direct een vertelstem van een vis, of is het een zeemeermin, die een oma heeft, en die naar boven wil, die niet wil verdwijnen in de maalstroom, zoals van vissen gezegd wordt, en dus zit ik meteen als lezer naast een kleine zeemeermin in een wereld van water en gedachten die ik helemaal geloof – en dat is uiteindelijk de bedoeling van fictie. Ze kwam niet ter wereld, zoals vaak op geboortekaartjes staat, ze kwam ter zee. Natuurlijk. Belangrijk verschil tussen zeemeerminnen en vissen is dat zeemeerminnen in de stad, als ze op het land zijn, grote moeite hebben met het geluid en de drukte. Vissen hebben daar geen last van. Het voorntje dat ik die maand uit de Slotervaart viste had in ieder geval geen moeite met geluiden, het visje zwom lekker in het leefnet dat mijn zoontje vasthield en soms boven haalde. Later zwom het voorntje de lelies weer in. Dus… de zeemeermin gaat naar boven. Meteen in het tweede hoofdstuk: een echtpaar. Ze zonderen zich af, ze bouwen een eigen plekje. ‘Samen voelden ze zich sterk. Samen waren ze een eiland.’ Dan een ‘je’ die aangesproken wordt, een moeder. Weer een andere verteltrant. De volgende is Alex, een volksjongen die een viswinkel ambieert. Baerwaldt beschrijft hem in de derde persoon verleden tijd, net als het echtpaar. Verschillende personages, verschillende lijntjes, verschillende toon, sterke zinnen, en de ik voel: dit gaat uiteindelijk een geheel vormen…

Bij de boekpresentatie zei ik tegen Leonieke dat mijn moeder dat waarschijnlijk moeilijk vindt, ze gaat zoeken. Ze zegt: ‘Wie zijn dit nou weer.’ Een dag later ging ik lezen en vond ik inderdaad dat dit proza niet aan mijn moeder besteed zal zijn. Dat neemt niet weg dat ik heel kalm meegenomen werd de fragmentarische hoofdstukjes in, door de zorgvuldige formuleringen, de sfeer, de diversiteit van decor en personages, en door de adempauze die na ieder kort hoofdstukje de witte pagina’s verantwoord, want het bladeren verandert in even ademhalen als het proza sterk genoeg is om de lezer tot die pauze te dwingen, net als bij Faulkners ‘Mijn moeder is een vis,’ een zin die op één pagina staat en toch de hele pagina vult. Dat maakt van schrijven beeldende kunst: het wit waar geen woorden staan opvullen met sterke beelden die om een adempauze vragen.

Als ik verder lees en de man van het echtpaar een vis zie vangen, de man van de viswinkel een zieke moeder heeft en het meisje dat haar moeder als ‘je’ aansprak en steeds meer zelf verteller wordt omdat de moeder half aanwezig is, zie ik de verbanden als vanzelf verschijnen, allemaal terug te voeren op het motto van Faulkner. De jongen in Faulkners boek die zegt dat zijn moeder een vis is vangt een karper, die valt in het stof, en zijn moeder moet begraven worden. Ze hebben het niet makkelijk, deze mensen. Ze worstelen, ze maken er een puinhoop van, ze proberen er iets van te maken. Ze doen hun best, het leven is moeilijk. Ik herlees Terwijl ik al heenging. Bijzonder knap om dat fenomenale boek in een debuut op deze manier aan te grijpen, om te vormen, je eigen te maken.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen