Hij wilde met zijn grote zus mee, naar de middelbare school.
Iedereen ging op pad, naar school. Behalve mijn oudste zoon die om een of andere reden iedere keer een rooster heeft waarbij hij de eerste twee uur mag overslaan.
Ze had een nieuwe rugzak en een enorme stapel boeken. Het paste net in de tas. Ze had ook een etui, schriften, mapjes, een damestoilettasje waar ik niks van mag weten, een broodtrommel, een flesje water, twee mandarijntjes en haar telefoon natuurlijk.
Ik wil ook mee, zei haar broertje.
De vorige keer ging ze naar kamp en brachten we haar weg. Nu ging hij naar het kinderdagverblijf. Dat gaat heel goed de laatste tijd. Het huilen bij wegbrengen is er wel af. Als de juf vraagt of hij een goed weekend heeft gehad knikt hij.
Zijn zus werd opgehaald door een nieuwe vriendin die iets verderop woont. Zij had ook een enorme tas bij zich. Ze hadden er zin in. Mijn jongste zoontje bleef bij de deur staan kijken.
Ook mee, mompelde hij nog, maar hij wist dat hij geen reactie zou krijgen.
Hij begon aan zijn tweede broodje en moest nog wat melk drinken. De melk is koud, zei hij na een paar slokken.
Hoe komt dat, dat de melk koud is? vroeg zijn mama.
Uit de koe, zei hij.
Ja, de melk staat in de koelkast.
Nee, zei hij iets luider. Uit de koe.
De avond ervoor was bij Zomergasten een geweldig fragment te zien van een vertaalster die aan het strijken was. Ze had het over tekst en textiel, dat zijn verwante begrippen. Ze bestaan uit draadjes, met bepaalde structuren. Het was een mooi fragment, een grote metafoor. Verder waren er geen conclusies uit te trekken, maar wel gaf de vertaalster aan dat schrijven en taal gebaat zijn bij verbanden, bij associaties. Zo gaan woorden leven.
De melk komt uit de koe, de melk staat in de koelkast. Dat was die maandagochtend hetzelfde idee.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen