Iedere keer als hij hier naar binnen gaat vraagt hij zich af hoe een postkantoor eruit kan zien als een paleis. Met torens en een rij dakkapellen aan weerskanten van die torens die lijken op een stadsmuur. Neogotisch, dat heeft hij ooit gehoord, maar wat dat precies inhoudt is hij vergeten.
Hij gaat er naar binnen om even warm te worden. De betegelde hal door, de adem van de winkels al in zijn nek.
Het onophoudelijke vleiende en toch licht sissende: Koop, koop, koop.
Onder de lampen van de winkels en het enorme dakraam boven de hal, met galerijen aan weerskanten waar hij soms ergens een vrij bankje kan vinden.
Hij schuifelt naar de roltrap, probeert niet om zich heen te kijken maar doet dat toch. Eerst naar links, naar de paspoppen. Een van hen is een man met een handtas. Ook staat er een motor met brede banden en een hoog stuur. Dan ziet hij rechts een enorme envelop staan met een adres erop, ver weg. Een brief? Een cadeau?
Hij zet zijn tas op een trede. Hij voelt nu de warmte al, maar doet zijn jas nog niet open. Dat komt boven. Op de eerste verdieping maakt hij het korte bochtje naar de volgende roltrap, want het is vrij druk hier. Een moeder met twee kinderen, hand in hand. Een echtpaar met papieren tassen dat de uitgang weer op gaat zoeken. Het logo van de lingeriewinkel op de tas die hij vasthoudt. Een paar jongens die een jaar of zestien moeten zijn, niet veel meer. Een van hen heeft een joint achter zijn oor. De beveiliging zegt zelden iets van die jongens, weet hij. Maar hem sturen ze weg.
Op de tweede verdieping minder mensen, alsof de weg naar de hemel slachtoffers maakt en er maar een paar overblijven, en daar is hij bij, in zijn spijkerbroek, zijn gejatte schoenen, zijn te grote jas met capuchon die vettig is aan de zijkanten en op zijn rug. Parkbankjes en portieken op dagen dat er geen karton te vinden is.
Bij een kledingwinkel kleedt een Surinaams meisje in de etalage een pop aan. We zijn binnen, de etalage is binnen en toch voelt het nog als buiten hier op deze galerij. Komt het door zijn jas? Door zijn tas, die te groot is voor hier. Die beter past in het station of op een vliegveld.
Hij ziet een bankje, helemaal aan het einde van de galerij, vlak voor de hoek. Het staat naast een vuilnisbak die ook al zo sjiek oogt. Opgepoetst. Hij zet zijn tas naast de bank, wil hem er bijna onder proppen. Dan gaat hij zitten en doet hij de rits van zijn jas een stukje open. Langzaam warm worden. Net als met een brandwond, nooit koelen met ijskoud water, dat helpt niet. Eerst koelen met lauw water, dan is het verschil niet te groot. Dan reageert je lichaam niet met angst.
Hij kijkt nog even om zich heen en sluit dan zijn ogen. Een kort moment. Hij denkt aan de metro die ochtend, aan het geluid van de treinen, aan de roltrap die hij opgestuurd werd. Ook daar sturen ze hem weg. Hij denkt aan de winkelstraat van de metrohalte naar hier. Het Argentijnse steakhouse, de Engelse pub, het Chinese restaurant met de eenden voor het raam.
Hij ruikt koffie.
Hij doet zijn ogen weer open. Heel graag wil hij zijn schoenen uittrekken, maar hij weet dat dat niet verstandig is. Niet hier. Vanavond, misschien.
Hij kijkt naar de mensen die langslopen. Allemaal zijn ze gaan winkelen, een man met een papiertje in zijn hand waar waarschijnlijk de wensen van anderen op staan: zijn kinderen, zijn vrouw. Hij volgt de man, ziet dan een blonde vrouw met een kinderwagen, en bijna kijkt ze terug.
Dan komt de beveiliger er toch aan. Even dacht hij hem volledig ontlopen te hebben en buiten het bereik te zijn van zijn eigen ogen en de ogen van de camera’s die hier overal hangen. Dat lukt zelden. Ze zien alles. Het is de grote kalende man. Flinke buik, grote handen. Soms wel aardig, maar meestal kort van stof. Niet dat hij lange gesprekken wenst, hij wil alleen maar even zitten en warm worden.
‘Goeiemiddag,’ zegt de beveiliger.
‘Middag,’ zegt hij kort en hij kijkt op. Iets in de toon van de beveiliger was anders, dat deed hem opkijken. Niet zo van: oprotten. Eerder een goeiemiddag zoals wanneer je ergens binnen komt lopen, iets wat hij van lang geleden kent.
De beveiliger blijft even voor hem staan, doet een pas naar de balustrade, legt er zijn beide handen op. De roltrappen brengen mensen naar boven en beneden en de beveiliger zucht en draait zich dan om en zegt: ‘Mag ik even bij je komen zitten?’
Een kort knikje is zijn antwoord op die onverwachte vraag.
De beveiliger gaat op het bankje zitten. Hij zucht weer. Dat heeft hij vaker meegemaakt, dan komt hij mensen tegen die hem hun levensverhaal willen vertellen, of gewoon wat ze op dat moment dwars zit. Hij koopt er niets voor. Hij is geen praatpaal.
Dus hij kijkt wat voor zich uit en neemt de warmte op. De warmte, daarom is hij hier. Al het andere is extra.
Dan zegt de beveiliger: ‘Weet je, er stond ooit een boom in het bos, ergens ver weg.’
Hij kijkt even opzij, de beveiliger knikt. ‘In het bos,’ herhaalt hij.
Wat moet hij doen? Knikken, dan praat de man verder. Weglopen, dan stuurt hij me naar buiten. Niks zeggen, dan praat hij waarschijnlijk ook verder.
Zwijgen dus maar.
En de beveiliger zegt: ‘Die boom die stond daar tussen al die andere bomen, in dat bos en hij vond het helemaal niks. Echt niet. Al die bomen waren eender. Hij vond het er maar saai.’
Zo’n verhaal, denk hij. Een vergelijking of een bespiegeling. Een verhaal waar deze kerel vanaf moet omdat hij eigenlijk iets over zichzelf wil vertellen.
Nou vertel maar, denkt hij en dat doet de beveiliger.
‘Die boom wilde wel eens wat anders dan daar maar in dat koude bos staan tussen al die andere bomen met allemaal die verveelde uitdrukking. Dus toen er een tovenaar aan kwam die de boom daar zag staan mopperen, zei hij de boom dat hij een wens mocht doen. Alles wat hij maar wilde.’
Even een pauze.
Dan praat de beveiliger verder: ‘En de boom vertelde dat hij heel graag een keer ergens wilde zijn waar het warm was en waar er mooi licht was en dat hij zich daar dan helemaal zichzelf zou voelen. Niet tussen al die andere saaie bomen die allemaal hetzelfde stonden te zijn in dat saaie bos, nee. Hij wilde op een plek zijn waar hij kon stralen en waar hij gelukkig kon zijn.’
De man denkt: Nu gaat hij me vertellen dat ik moet stralen. Dat ik ergens gelukkig kan zijn. Niet in mijn bos, maar heel ergens anders.
Maar de bewaker herhaalt: ‘Dat wilde de boom. En weet je wat die tovenaar toen deed?’
Nee, schudt de man heel lichtjes.
‘Die maakte het voor elkaar. Die zei tegen de boom: “Ik ga het regelen, die plek voor jou.”’
Regelde jij maar die plek voor mij, denkt de man. Hij denkt aan de kou buiten en aan de metro, alweer aan de metro, die grauwe stations.
Dan vraagt de beveiliger: ‘En wat denk je dat die tovenaar regelde?’
Kort gaan zijn schouders omhoog.
‘Nou,’ zegt de beveiliger. ‘Kijk maar.’
En hij draait zich een kwartslag en wijst heel kalm over de balustrade. De zwerver volgt de hand van de beveiliger, zijn vinger, en daar ziet hij de kerstboom staan die helemaal van de begane grond tot deze tweede verdieping in dit paleis de hoogte in groeit, met zilveren en gouden ballen aan zijn takken, met slingers en met gekleurde lichtjes en overdaad.
Daar staat-ie. De boom.
Die twee roltrappen leidden hem nog niet zo lang geleden langs de boom, maar toen zag hij de boom niet. Hij zag hem gewoon niet, en nu ziet hij een echte kerstboom: groot, glimmend, imponerend, en door het verhaal van de beveiliger heeft die boom ook een leven gekregen van daarvoor en heeft de boom nu het geluk als een gloed over zich heen gedrapeerd. De boom die eerst in een koud en saai bos stond blinkt nu tussen deze blinkende winkels, in deze andere warme wereld.
Er gebeurde nog meer. Door het verhaal heeft de man het zelf ook warm gekregen. Zijn jas hangt open, zijn hoofd is ook open. Zijn gedachten zijn open.
Hij begrijpt het. Hij begrijpt het allemaal.
‘Dank je wel,’ zegt hij tegen de beveiliger.
‘Graag gedaan.’
‘Echt, veel dank.’
‘De volgende keer stuur ik je weer gewoon weg,’ zegt de beveiliger.
‘Dat weet ik.’
‘Een goede kerst, mijn vriend.’
‘Jij ook.’

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen