Mijn lieve gunsteling, de tweede roman van Marieke Lucas Rijneveld, werd mij door Sinterklaas bezorgd. Veel dank. Natuurlijk wilde ik de roman lezen, om te zien wat Marieke Lucas (we kennen elkaar, en een bijkomstigheid: we zijn hemelsbreed een paar kilometer van elkaar opgegroeid, weliswaar in een andere tijd, maar wel in buurdorpjes; we komen uit dezelfde klei) heeft geschreven, maar ook om uit te pluizen waar de lofstortvloed op gebaseerd is. Die lof is terecht, maar zoals eerder aangegeven is lof zonder onderbouwing als roffelen op een hol vat. Het geeft veel lawaai, maar zodra je ermee ophoudt is het stil en is er in het vat niks te vinden.

Dus: wat is dit voor boek? En wat is er zoal over geschreven?

Een sympathieke recensent op de site van Neerlandistiek schreef: ‘Marieke Lucas Rijneveld kan het. Ze kan het echt. Mijn lieve gunsteling is prachtig geschreven.’

Nu wist ik al dat Marieke Lucas kan schrijven, maar nu kan ze het dus echt! Goed om te weten, en ook lekker om te horen dat het boek prachtig is. Maar hoe dan? Een antwoord op die vraag blijft achterwege.

Het Parool spande de kroon: ‘In deze roman wordt de taal gevierd.’ Dat werd in de recensie op zo’n manier gesteld dat in de meeste andere romans, van generatiegenoten die niet bij naam genoemd werden, duidelijk de taal niet gevierd wordt.

Nu ben ik precies twintig jaar ouder dan Marieke Lucas, dus dat trek ik me niet aan. Toch was ik ook benieuwd hoe volgens de Parool-bespreking de taal in Mijn lieve gunsteling dan gevierd wordt.

‘Kurt is de volmaakte chroniqueur. In zijn obsessie legt hij twee zielen bloot; die van haar en van hemzelf. De lezer voelt de intense eenzaamheid van zowel het veertienjarige jongensmeisje en het niet minder eenzame, droevige verlangen van de verteller.’

Een volmaakte verteller, in tegenstelling tot andere, mismaakte vertellers. De lezer voelt mee. Dat is altijd goed, maar geen argument. Geen woord over de manier van vertellen, of het moet alleen ‘ademloos’ zijn.

De veearts die in 42 hoofdstukken zijn verhaal doet rammelt de woorden er namelijk uit, in lange blokken tekst zonder alinea, zonder witregels of inspring, zonder punten soms. Hij heeft haast. Hij is buiten adem, maar vertelt verder. De lezer krijgt die haast ook mee, want niet zelden was ik op zoek naar een punt, om zelf even adem te kunnen halen. Een komma is nu eenmaal: verder lezen. Dat gebuikt Marieke Lucas bijzonder sterk.

NRC: ‘Hier wordt een verhaal op eigenzinnige en overtuigende wijze verteld en met een volstrekt authentiek geluid in de wereldliteratuur ingebed. Hier klinkt een literaire stem van internationale allure.’

Vleiend, om een verhaal (het is een vertelling!) eigenzinnig en overtuigend te noemen. Misschien is de vorm deze recensent niet bekend en inderdaad, de tekst komt bij de lezer aan en dat zou ‘overtuigend’ genoemd kunnen worden, en het geluid kan ‘authentiek’ zijn, en ingebed in de wereldliteratuur, maar waar staat dat bedje, en wie snurken er nog meer in dat slaapkamertje? Er zijn tal van vergelijkbare vertelstemmen te noemen, van Wolkers tot Faulkner, en buiten dat zou het fijn zijn te weten welke middelen aangegrepen worden, door de schrijver, om de roman zo eigenzinnig, overtuigend en authentiek te maken. Of is het simpelweg magie?

Marieke Lucas kan veel en houdt van Harry Potter, en hoeveel we deze Gunsteling ook ophemelen, deze roman is geen magie. Dit proza is dosering.

In Vrij Nederland doet Carel Peeters een poging de geest van de roman te pakken. ‘…schitterend, gevarieerd, evocatief en scherpzinnig proza. De oprechtheid, de listigheid, de perversie lopen door elkaar en worden zo goed verwoord dat je je hoofd soms afwendt.’

Alles loopt in deze vertelling door elkaar, klopt, en dat is met superlatieven te overladen, provocerend en scherp, de enige manier om dit te laten slagen is dosering.

Al in het tweede hoofdstuk vertelt de veearts dat hij een boer vond die zichzelf had opgehangen in de tijd van de mond-en-klauwzeercrisis. In een schijnbaar eindeloos lange zin, vol komma’s, gaat het over die crisis, over kadavers, over bonkende poten tegen de zijkant van een veewagen, over een Fiat-bus, over hoe koningin Beatrix in de wij-vorm het volk toespreekt, over Leonard Cohen, over hoe iemand vastgezogen kan zitten in een gierput, en tussendoor hangt er een boer aan een balustrade:

 …‘ik zag eerst de zolen van zijn lieslaarzen met de stront en de strohalmen nog in het profiel, toen zijn overall en daarna drong het levenloze geheel pas tot me door.’

In de veelheid van beelden en woorden hangt daar die boer, en in de twee korte partjes die echt duidelijk maken wat er gebeurd is zijn het zoolprofiel van zijn laarzen en wat daar aan hangt en zijn overall minstens even groot beschreven dan het dode lichaam. Dat is doseren. De impact van de dode kruipt in de beschrijvingen van de schoenzool, en al het andere in het decor.

De verteller, als pratende pop door Marieke Lucas (macht!) bestuurd, kiest heel scherp welke details hij wel laat zien, waarop hij inzoomt, en wat hij bijna terloops laat vallen. Belangrijker is wat hij niet laat zien. Hij haalt alles wat hij toch vertelt terug, dus hij weet precies wat er gebeurd is, maar je voelt constant dat hij niet alles in één klap wil vertellen, dat hij zelfs niet alles begrijpt. Hij draait om de hete brij heen.

Dat is niet voor niks. Zijn verhouding met het meisje, dat graag als een jongetje wil plassen, is alleen op deze manier, door deze verteller in beeld te brengen, bijna als een verontschuldiging, een smoes, een indekken van de verschillende rollen en motieven, het spreiden van verantwoordelijkheid, het verklaren van obsessie. Juist omdat de dader vertelt kan de dader een mens worden, in plaats van enkel een platte dader.

Dat kun je ‘kolkend, obsessief of lyrisch’ noemen, zoals de recensent van het Parool doet, het is voor dit verhaal met deze verteller de enige optie, gedacht vanuit de schrijver. De veearts mengt alles tot een wirwar en veelheid van beelden. Geen keurig dagboek, geen chronologie, geen eenheid van plaats en tijd.

Laat je niks wijs maken. Marieke Lucas heeft geen kolkende, obsessieve, lyrische verteller gemaakt, of ‘een stijl gehanteerd die dit boek doet opstijgen’. Deze schrijver heeft een roman afgeleverd waarin de verteltechnieken hard en dwingend door de personages en het verhaal ingegeven zijn, en dat is heel goed en consequent uitgewerkt. Die keuzes leveren een kolkend, obsessief en lyrisch boek op, dat is zeker.

Dat kolkende geheel brengt ook met zich mee dat je tijdens het lezen vaak moet stoppen, terugkijken, met je vinger langs de regels moet om de woorden nog eens te wegen. Dat houdt het tempo op. De ratelende verteller laat de lezer haperen. Dat gevolg is door schrijver en redacteur onderkend, en aangegrepen. Iedere lange zin, iedere komma en punt, zijn met dat gevaar in het achterhoofd gewogen. En toch zo neergezet.

Wat ben ik blij wanneer ik soms in deze roman een kleine heldere zin tegenkom. ‘Je leek onder het viaduct net een doodskopaapje.’

Zo’n klein Wolkers-zinnetje, met een aandoenlijk vreemd dier in de vergelijking. Past heel mooi in deze roman die in alles aan Wolkers doet denken: de massieve blokken tekst zoals in Turks fruit, de vette typografie op een omslag zonder afbeelding, het fysieke, het viezige, de verwijzingen naar populaire Amerikaanse cultuur als muziek en tekenfilms en een Christelijke achtergrond, van Home alone tot de Bijbelteksten uit Hooglied, een klein lijfje tijdens seks vergelijken met een platgedrukte nachtvlinder.

Onno Blom schreef in de Volkskrant, naast de typering ‘natuurtalent’, dat ‘ook Mijn lieve gunsteling het is verslag van een obsessie. Maar ditmaal is het perspectief gedraaid.’

Dat begint op een analyse te lijken waar niet alleen lezers die af gaan op gejuich iets mee kunnen, maar ook schrijvers die iedere dag voor de gevolgen van hun eigen perspectiefkeuzes staan, als ze werken aan een boek.

Als Ilja Leonard Pfeijffer in zijn grote Grand Hotel Europa schrijft: ‘Ik moest alles opschrijven,’ dan wordt de lezer direct een vertelmotief gegeven.

Vergelijk de vertellingen. Ook Pfeijffer neemt je mee, noemt iedere straat bij naam, geeft van een Italiaanse stad een plattegrond in woorden. Ook de verteller Pfeijffer haalt heel veel aan, maar hij wil vooral duiden en ordenen, niet ergens omheen draaien. Hij wil een essay over toerisme in de huidige tijd juist een plekje geven in zijn roman en verbinden aan het hotel waar het boek speelt, en aan hemzelf. Persoonlijk, veel, beeldend én analytisch, en toch een totaal andere techniek. Ook een viering van de taal. Ook een natuurtalent.

Ik noem Grand Hotel Europa om de gelijkenis, om de eerste vertelkeuze die in de basis hetzelfde is als die bij Mijn lieve gunsteling – een ik, een tijd, een plek, een liefde – maar die vanaf de eerste zin een andere invulling krijgt als er daadwerkelijk gekozen en gedoseerd wordt, en daardoor een ander resultaat.

De vertellende veearts van Marieke Lucas heeft een beperking: zijn vertelling. Hij moet in dat hoge tempo zijn gang gaan, want hij is gek van zijn werk, van het land, van de koeien, en vooral van een meisje van veertien. Die Lolita-verhouding zit in iedere vezel van de vertelling, steeds heftiger en onontkoombaarder.

‘… of heel misschien werd je wel een trekvogel, dan kwam je alleen in de zomer terug…’

Dit minieme deel van een zin zonder punt, net zo belangrijk als al die andere korte deeltjes, in een boek over een ongewenste, te veroordelen, relatie, laat zien dat Mijn lieve gunsteling een gedoseerd waagstuk is, want doseren is kiezen. Het onderwerp in zo’n vorm gieten dat het bij de lezer overkomt maar vooral ook de betrokkenen verbindt, in plaats van uit elkaar drijft. Daarvoor is doseren de techniek, en dat beheerst Marieke Lucas zeer goed.

Als in het derde hoofdstuk de aanslagen van 9-11 aangestipt worden, in een hoofdstuk dat naar schatting bijna 2.000 woorden beslaat, krijgen suikerbieten, piepers, vleugels, poeder en klonten in een emmer, blauwalg, Snappi das kleine Krokodil en een voicemail minstens zo veel aandacht als de vliegtuigen van de aanslagen, maar de lezer weegt dat deel door de impact zwaarder, net als die boer die zich verhangen heeft, en kent op deze manier tijdens het lezen aan de rest van de ogenschijnlijke wirwar van beelden en informatie een constante borrelende lading toe.

De schrijver doseert wat de verteller bij de lezer neerlegt, en laat de lezer uiteindelijk de koppelingen maken hoe deze obsessieve liefde voelt. Dus wat ook speelt: deze schrijver heeft veel vertrouwen in de lezer.

Het is een beproefde techniek, tuimelende beelden, uitgevoerd in een eigen decor, gekoppeld aan een zeer persoonlijk verhaal. Niks nieuws. Gerbrand Bakker gaf in afgelopen zomer al aan dat de coming-out roman van Splinter Chabot een mooi plekje kan veroveren in een eeuw coming-out literatuur, maar in tegenstelling tot wat er over zijn Confettiregen geschreven wordt is het eerder een persoonlijk verhaal dan een baanbrekend nieuw verhaal.

Mijn lieve gunsteling staat in een traditie (ingebed), al is het alleen al door het vreemde woordje gunsteling in de titel. Vreemd en alledaags, boers en mythisch. Juist de alledaagse zaken die William Faulker in zijn The Sound en the Fury verbindt aan zijn knettergekke Benjy maken dat personage levend en verbeelden zijn gekte, in een viering van de taal, soms zonder interpunctie, van negentig jaar geleden.

Marieke Lucas kent niet alleen de taal die Benjy gemaakt heeft, ze is goed bevriend met hem.

Jan van Mersbergen