De Morgen

Meer dan de moeite waard

Zijn vader kocht ooit een stukje afgelegen grond en bouwde het om tot zijn miniparadijs, waar hij zich steeds meer terugtrok. Jan van Mers­bergen, zelf een sociaal dier, raakte zo gefascineerd door kluizenaars en heremieten. In zijn meest persoonlijke boek drukt Van Mersbergen het spoor van einzelgängers als Crusoë.

NRC

Er zijn twee Jan van Mersbergens. De een (1971) schreef romans als Naar de overkant van de nacht, Morgen zijn we in Pamplona en Een goede moeder, de ander is de vader van die auteur, Jan van Mersbergen senior. De schrijver woont sinds jaar en dag in Amsterdam, de vader is altijd in Noord-Brabant blijven wonen. En daar houden de verschillen niet op. Het cruciale onderscheid – en de grootste aanleiding van juniors nieuwste boek – is hun sociale geaardheid. De een is graag onder de mensen, de ander loopt het liefst met een boog om ze heen.

Nu zal het u waarschijnlijk verbazen dat nou net de schrijver de socialere van de twee is. Want dat schrijven, dat doe je alleen. En bovendien stikt het onder de schrijvers traditiegetrouw van de eenlingen. Maar zodra Van Mersbergen uitgeschreven is, zoekt hij dus zo snel mogelijk zijn medemens op. ‘Zelfs vissen doe ik samen met een vriend.’ Zijn vader echter, inmiddels een krasse zeventiger, kocht eind jaren zeventig een afgelegen stuk land op. Samen met zijn vrouw fietste hij er sindsdien elke dag naartoe en toverde het geleidelijk aan om in een paradijs – tenminste, voor wie van groen houdt. Sisyfusarbeid in zekere zin, want elke keer weer dat onkruid en met welk doel eigenlijk? En voor wie maakt hij het zo mooi? Andere mensen komen namelijk zelden op het twee voetbalvelden grote landgoed, zeker in het begin niet. Pa (en ma, al gaat Van Mersbergen daar minder op in) vond dat prima. Of misschien wel wenselijk. Zoon snapt daar niks van, van die hang naar het solitaire. ‘Van mensen die ervoor kiezen ergens ver van andere mensen te leven, begrijp ik helemaal niets en toch fascineert hun keuze me.’ Daarom ging hij voor Mijn pa is nooit alleen, dat beschouwd kan worden als een wat nonchalante vorm van essayistiek, ‘op zoek naar verschillende kluizenaars’.

Om daar maar mee te beginnen: dat lijkt me wel erg kort door de bocht geredeneerd. Want die vader ís heel geen kluizenaar. Een man met een baan, kinderen, een rijtjeshuis en een (veeleisende, maar toch) hobby staat wel erg ver af van de mannen met wie Van Mersbergen hem in verband probeert te brengen: Jozef van den Berg (de oud-poppenspeler die door God werd geroepen, bij zijn gezin wegfietste, toen vrijwel meteen een lekke band kreeg en toen maar in een fietsenhok ging wonen); Sint Amadour (een 12de-eeuwse heremiet) en Robinson Crusoë, de schipbreukeling van Daniel Defoe die helemaal niet uit vrije wil op dat eenzame eiland belandde. Allen alleen, maar toch heel ánders alleen dan Jan senior, die de indruk wekt gewoon in alle rust te willen schoffelen, metselen en harken. Zo vreemd is dat toch ook niet? Op den duur wordt vooral Van Mersbergens eigen geloof in de weerkaatsing opvallend.

Er broeit een ander boek onder Mijn pa is nooit alleen, een boek dat Van Mersbergen niet voluit heeft kunnen, durven of willen schrijven. Dat boek handelt niet over zoiets abstracts als de essentie van het kluizenaarschap, maar over zijn eigen jeugd. Nu komt dat verhaal nog een beetje in de kantlijn voorbij, bedremmeld, alsof Van Mersbergen nog niet helemaal aan durft te gaan wat er bij hem speelt.

Je merkt dat als hij het heeft over de vader die verstek liet gaan op belangrijke momenten, je merkt dat echt goed als je leest over hoe dat vroeger voor hem was, om telkens maar te worden meegetroond naar die zogenaamde idylle. ‘Eigenlijk vind ik het moeilijk dit op te schrijven, want ieder moment dat ik daar als kind was, wilde ik daar weg. Ik wilde geen hobby in de polder, ik wilde geen ijskoud slootwater, natuurzeep in een blik. Ik wilde geen puts die eerst door het ijs geduwd moest worden.’ (Sebastiaan Kort)

Dagblad van het Noorden

Kluizenaar in de polder

De vader van Jan van Mersbergen leeft nog en toch heeft zijn zoon al een boek over hem geschreven. Er is iets wat hem mateloos fascineert in de man. ‘Alleen zijn en je niet alleen voelen. Gelukkig zijn. En ondertussen veel werk verzetten.’ De vader van Van Mersbergen werkt op een stuk land dat hij ooit in een opwelling heeft gekocht. Twee voetbalvelden groot is zijn bezit en daar doet hij al decennialang aan natuurbehoud in zijn eentje (al helpt de moeder van Van Mersbergen een handje mee).

Jan van Mersbergen is meer het tegenovergestelde type mens; hij opereert het liefst in groepsverband of het nu een gezin of een voetbalclub is. In Mijn pa is nooit alleen onderzoekt Van Mersbergen het leven van meerdere mannen die op een bepaald ogenblik hun bestaan een andere wending hebben gegeven. Dat kan de kluizenaar Sint-Amadour zijn of de fictieve held Robinson Crusoë die schipbreuk leed en op een eiland moest zien te overleden.

De man voor wie Van Mersbergen de meeste bladzijden inruimt is echter de poppenspeler Jozef van den Berg, die bevangen door een religieus besef zijn gezin verliet en op de fiets vertrok om zich te wijden aan de godsdienst. Hij kwam niet ver, want een dorp verderop kreeg hij een lekke band, waarna hij ter plekke een kluizenaar werd.

Mijn pa is nooit alleen is vooral een zoektocht naar de drijfveren van mensen die het in hun eentje rooien. Dat vader Van Mersbergen al zijn vrije tijd opoffert aan het land en bijvoorbeeld niet naar de voetbalwedstrijd van zijn zoon komt, laat zien dat zijn droom elders ligt. Van Mersbergen vergelijkt zijn eigen leven met de andere levens die hij beschrijft. Ook hij is een keer vertrokken bij zijn gezin (zie zijn vorige roman, Een goede moeder, maar hij ging niet in zijn eentje verder.

Al die levens – Van Mersbergen maakt ook nog contact met een zwerver in Amsterdam – citaten uit boeken, interviews, fragmenten uit het logboek van zijn vader, maken een fragmentarisch geheel van dit boek. De parallellen worden soms iets te nadrukkelijk getrokken tussen de poppenspeler, de schrijver en de natuurbeheerder: ‘Mijn pa laat op zijn land zien wie hij is, een hectare als een grote platte zwijgzame polderpop.’

Door de keuzes van zijn vader te begrijpen, kan Van Mersbergen de verholen verwijten over het gebrek aan aandacht in zijn jeugd met gemak de baas. Uit alles blijkt dat hij van zijn vader houdt. Of al die andere levens daarvoor nodig waren om tot dat besef te komen, is zeer de vraag. ★★★☆☆ (Coen Peppelenbos)

HP

Jan van Mersbergen is de man die de lichten uitdoet op literaire feestavonden, de man die houdt van een praatje aan de bar, van gezelligheid, leven in de brouwerij, biertje in de hand, al dan niet uitgedost in zijn Vastelaoved-pekske. Uitgerekend Van Mersbergen publiceert nu een boek over kluizenaars, juist omdat die zelfgezochte afzondering hem zo vreemd is. Jozef van den Berg, de poppenspeler die zich terugtrok in een fietsenstalling, Saint-Amadour, die op een rots woonde, een zwerver in een tentje in een plantsoen in Amsterdam-West, en Van Mersbergens eigen vader, die een paradijsje schiep in de polder – ze fascineren hem. Wat betekent het als je een bewuste keuze maakt voor de eenzaamheid? In dit boek onderzoekt Jan van Mersbergen die vraag, in een poging dichter bij zijn vader te komen. Dat geeft dit compacte verhaal een stuwende kracht, een intrinsieke noodzaak. Als hij tenslotte tussen de aantekeningen van zijn vader een fictieverhaal van diens hand vindt, vallen de puzzelstukjes op hun plek. (Thomas van den Bergh)

Allesoverboekenenschrijvers

Dat Jan van Mersbergen ook uit zijn eigen leven put bij het schrijven kan voor lezers van eerder werk van de auteur geen verrassing zijn. In zijn nieuwe boek doet hij een boeiende en geslaagde poging om de keuzes van zijn vader te begrijpen die volledig tevreden blijkt te zijn met een leven als een verlichte kluizenaar op een hectare grond in het Rivierenland. Maar niet alleen zijn vader staat centraal, hij gaat ook op zoek naar de wijze die een aantal andere mannen, als dan niet gedwongen, invulling geven aan een vorm van kluizenaarschap. Een keuze die voor Jan van Mersbergen als sociaal mens niet altijd te begrijpen is en  was. Zonder in verkeerd sentiment te vervallen en in een mooie stijl weet hij steeds meer begrip en waardering voor de keuzes van zijn vader op te brengen. Door het verhaal van zijn vader te vermengen met het verhaal van andere kluizenaars in heden en verleden, krijgt het boek nog meer diepgang en zelfs een filosofisch karakter. ★★★☆☆

In de Boekenkast

Deze roman is vooral een ontdekkingstocht naar de beweegredenen van zijn vader om een stuk land aan te schaffen en dit om te bouwen tot zijn eigen paradijs. Maar meer nog is de roman een zoektocht naar zichzelf.

Jan van Mersbergen heeft een vrij toegankelijke schrijfstijl. Toch is het boek niet zo eenvoudig te volgen. De roman voelt meer aan als een bundel aantekeningen waaruit later een roman geboren zou kunnen worden. In plaats daarvan zijn de aantekeningen op de markt verschenen.

De auteur neemt diverse kluizenaars onder de loep, bekijkt hun beweegredenen en bespreekt wat dit voor effect heeft op de mensen om hen heen. Hij gebruikt daarvoor romans van auteurs die hem volgen om over dit onderwerp te schrijven. Benoemt televisieprogramma’s die aandacht besteden aan mensen die de rust op zoeken en gebruikt de aantekeningen van zijn vader.

Het gegeven waar de auteur over schrijft is fascinerend. Het roept vragen op als: Wat beweegt iemand om een kluizenaar te worden? Heeft een kluizenaar altijd een keuze? Is het kluizenaarsbestaan een roeping? Is iemand die dagelijks bezocht wordt door nieuwsgierige mensen, interviewers en programmamakers nog wel een kluizenaar te noemen?

Mijn pa is nooit alleen is dan ook zeker de moeite van het lezen waard. Het gunt je als lezer een blik in de belevingswereld van de kluizenaar en van de personen die achterblijven. ★★★☆☆ (Sandra Hutchinson)

Collega-schrijvers

Caspar Dullaart

Oef, wat is dit een mooi boek.

Frans Pollux

Wat een cadeau voor je vader! ★★★★☆

Lezersreacties

Inge Meijer

Aardige man

Begin jaren tachtig had ik een winkeltje in Deventer met een vriendin. We maakten jassen van Perzische tafelkleden, broeken met hoge taille, capes van velours. Stoffen kochten we in de Jodenbreestraat in Amsterdam. Op een middag kwam er een man in het winkeltje. Hij had interesse in een cape, paste er een, kocht er twee. Zo stel je de toekomst een beetje veilig. Ik ben er vrijwel zeker van, hoewel herinneringen nogal suggestief zijn, dat die man Jozef van den Berg was. Hij speelde die dagen in de stad. Aardige man. Toen hij begin jaren negentig zijn gezin, het theaterleven verliet, dacht ik ‘Woh’, er zomaar vandoor gaan (hij wel). Doen wat je niet laten kunt. Geregeld denk ik, ‘Hoe zou het met Jozef van den Berg zijn? Zou hij nog in dat fietsenhok zitten, kluizenaar zijn?’ Daarbij komt dan het beeld van de man die de panden van een cape om zich heen slaat bij het verlaten van het winkeltje. Tien jaar later verliet hij zijn vrouw en kinderen. Een van zijn kinderen zei nog, ‘Dat gaat zomaar niet, ik ga met je mee.’ Maar hij ging alleen, hij was geroepen door God. Dit lees ik in Jan van Mersbergens boek Mijn pa is nooit alleen.

Bij voorbaat een goed boek alleen al om Jozef van den Berg die erin voorkomt. De man die mijn voorstellingsvermogen van ‘leven in vrijheid’, tartte. Van Mersbergen schrijft zich via verschillende kluizenaars een weg naar zijn vader, naar zichzelf. Zijn vader was een alleenganger, bouwde zich op een hectare land, buiten het dorp waar ze woonden, een eigen ruimte. Hoewel zijn vader niemand verliet of verlaten werd, net geen kluizenaar werd. Zijn moeder bleef, zijn vader ging niet weg. Ik lees, ‘Van mensen die ervoor kiezen ergens ver van andere mensen te leven, begrijp ik helemaal niets en toch fascineert hun keuze me.’ Van Mersbergen onderzoekt het leven als kluizenaar van Jozef van den Berg, er is een boek over hem, interviews. Hij zoekt hem niet zelf op. Wel bezoekt hij een zwerver in Slotervaart, geeft hem een jas, stelt hem vragen hoe hij hier zo gekomen is. Een huwelijk, gokverslaving, huis uitgezet, niets vrijwillig.

Dat zou hij ook aan Jozef willen vragen, hoe het zo gekomen is. ‘Eigenlijk wil ik van hem weten of hij zijn thuis mist.’ Een cruciale vraag voor iemand die trouw is aan zijn mensen. Schrijft, ‘Hij vertrok op de fiets, volgde Gods roeping, was van plan de wereld in te trekken, maar kreeg een lekke band in het eerstvolgende dorp, en daar is hij in een fietsenstalling gaan wonen. Dat is het verhaal van Jozef: een lekke band.’ Zelf vertrok hij tien jaar geleden ook op de fiets, weg van zijn gezin dat niet meer ging. Kreeg geen lekke band, trok in bij een vriend. Een boek over de vader is altijd een boek over de zoon, en in deze, over Jozef van den Berg. Hij schrijft, ‘Het schrijven van deze autofictie is als het lopen van een estafette. De kluizenaars zijn al vertrokken, (…) geen van de voorgangers komt mij het stokje doorgeven. Kluizenaars zijn niet goed in het doorgeven van hun verhaal.’ Van Mersbergen is (goddank) geen kluizenaar. Hij geeft zijn verhaal, verhalen van anderen, wat die verhalen met hem doen, wel door. Mooi om te lezen. Ondertussen ben ik er steeds zekerder van dat het de poppenspeler was toen, in dat winkeltje. Aardige man.

Anita van Oosterbosch

Wat een mooi boek, echt heel ontroerend, het verhaal laat me dan ook niet meteen los. Het besef van écht contact maken, nu het nog kan, en daar bewust mee omgaan is prachtig omschreven. Bij het bos als kunstwerk kwam als eerste de Verbeke foundation bij me op en ook Herman de Vries natuurlijk. Ik heb er van genoten!

Herbert van der Zalm

Heb ’t opgevreten. Prachtig! Van mij krijg je een 10 voor filosofie.

Adrie Romijn

Ontroerend! Wat een prachtig eerbetoon heeft Jan junior geschreven aan zijn vader en zeker ook aan zijn moeder. De vorm, een zoektocht naar waarom je je leven op een bepaalde manier vormgeeft, het willen begrijpen waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt, bewust of onbewust of gedwongen, als kind of als ouder en zeker ook de consequenties van die keuzes, sprak mij aan. Een waardevol boek. Dat mij oprecht heeft geraakt.

Jan van Mersbergen