Deze vakantie las ik een paar boeken.
In de koffer zat, na een zware selectie, De h is van havik, van Helen MacDonald. Een zeer goed geschreven boek over het africhten van een havik door een vrouw die ondertussen worstelt met het verlies van haar vader. Vlieland lijkt de perfecte plaats voor dit boek, vakantie is echter niet de perfecte modus voor dit boek. De h is van havik vraagt iets van de lezer: de mooie zinnen lopen goed als ik ze hardop lees, de beelden zijn goed maar moeten in mijn hoofd aan elkaar geknoopt worden, het verdriet om haar vader is pas invoelbaar als ik me verdiep in die zinnen en beelden. Soms gaat dat vanzelf, dat tref ik net na een tochtje naar het Wad of het strand in het vakantiehuisje een zin die precies dat ene punt pakt. In de meeste gevallen was ik te onrustig om in deze roman te lezen. Te veel concurrentie, van het eiland, maar ook van een ander boek.
Op een plankje achter de bank in het vakantiehuisje stonden een paar boeken, waaronder De dag van de jakhals, van Frederick Forsyth. Ik las deze zoektocht naar de man die een aanslag wil plegen op de Franse president De Gaulle al eens, en nu herlas ik het middelste deel, waarin de moordenaar – de jakhals – de aanslag voorbereidt en de Franse politie hem zoekt. Fascinerend boek, zeer goed uitgewerkt en sterk in details. Het bestellen van een speciaal geweer waarmee hij van erg ver De Gaulle om kan brengen is erg goed beschreven. Hij koopt het geweer in België. Bovendien is dit een boek dat ik willekeurig op ieder moment op kon pakken tijdens deze geslaagde vakantie op Vlieland. Ik zit zo weer in het verhaal, omdat het gedetailleerd en stuwend is. Ik wil weten wat er komt, ook al weet ik de grote lijn al. Ik wil die kleine lijntjes lezen. Bijvoorbeeld over dat geweer. De koffer waar het geweer in past. Koffers passen bij vakantie.
Ik liet het exemplaar van De dag van de jakhals op het kastje in Vlieland staan, maar weer thuis haalde ik de thriller van Forsyth echter niet uit mijn boekenkast. Thuis wilde ik iets anders, iets gemakkelijks, een klassieker, een verhaal, en een beetje diepgang. Geen waargebeurde misdaad. Turen naar de kast, waar ik uiteindelijk De alchemist uittrok, de Engelse vertaling. Ook dat boek las ik al eerder maar ik ben de Nederlandse vertaling kwijtgeraakt bij een verhuizing. Engels lezen blijf ik erg moeilijk vinden. Ik mis woordjes, het ritme van de zinnen wordt daardoor anders, en ondanks dat dit boek niet moeilijk is maakt het lezen ervan mij moe. Toch vind ik The Alchemist een bijzonder boek, dat ondanks het herhaaldelijke dwepen met een persoonlijk streven en met omens (voortekenen, dit is Engels en de vertaling is omina, maar dat staat een beetje ver af van mijn taal), op iedere bladzijde overeind blijft omdat Paulo Coelho steeds een nuance aangeeft die bijna relativerend werkt. Als de hoofdpersoon naar de Piramides wil en twee stenen in zijn tas heeft die hem een teken moeten kunnen geven, en iemand op zijn pad weer over omens begint, zegt Coelho: ‘Iedereen lijkt het wel over omens te hebben.’ Het toeval krijgt zo een plek. Het verhaal is verzonnen en het toeval is belangrijk, net als in andere grote spirituele werken, maar hier weet de schrijver precies de juiste toon te raken. Het voelt soms als de wijsheden die ik tijdens carnaval vanuit het niets opdiep en die na het feest weer verdwijnen. Dat vastleggen en teruglezen, dat is mijn Alchemist.
Toch las ik ook in dat boek niet verder dan zo’n honderd bladzijden, want vlak na de vakantie viel Mijn Poolse huis in de bus, van Dore van Duivenbode, opgestuurd door uitgeverij de Geus, onderdeel van Singel, waar ik direct na mijn vakantie op werkbezoek was. Dore had ik al op tv gezien, daarna op facebook, en nu lees ik met veel plezier dit verslag van de vakantiereizen naar Auschwitz, dat in het Pools Oswiecim heet, zonder de moeilijke tekens op de s en onder de c – sorry daarvoor. Sterke zinnen, helder verteld, mooie beelden. Kort achter elkaar, over haar oma:
‘Een vaste gast was babcia (oma), dat speek je uit als ‘babtsja’. Met haar krulspelden en lichtroze nachtjapon sliep ze in mijn bed met mij op een matje ernaast, turend naar het ingedeukte matras. Op het nachtkastje lag een dichtgeknoopt, doorzichtig plastic tasje gevuld met een flesje oogdruppels, haar bloeddrukmeter en oranje en roze pillen. Babcia ademde zwaar en hoestte als een haperende auto in de winter. Ze rook naar Oil of Olaz en had maar één oog.’
De detail die me vertellen dat Dore als meisje schuin onder een bed zag hoe de matras doorzakte, de houding die ik daarbij zie, de kleuren van de pillen, de geur, het dichtgeknoopte zakje, het ademen als een koude auto. Iedere zin herbergt woorden die me meevoeren naar Polen, naar deze familie, naar de schrijfster zelf. Bijzondere verdienste.
Wat ik naast dit familieverhaal met uitzonderlijke types en gebeurtenissen, ook lees is mijn eigen huizenblok in Amsterdam Sloten, met rechts van ons de Poolse buren. Ik begrijp nu hun taal, het vurige praten, de geur van Poolse worst, de gastvrijheid en tegelijk de afstandelijkheid. Het uitvoerige bedanken, het formele vragen of er hulp nodig is als ik in de tuin bezig ben met stenen en zand of het omzagen van een boom, het schaterlachen bij een borrel, die eeuwige Poolse worst, de vraag of mijn dochter hun dochter misschien zou kunnen helpen met haar Nederlands, want zelf kunnen ze dat niet, maar ze onderkennen het belang. Dat zie ik terug in dit boek.
Mijn Poolse huis is het huis van mijn buren. Als ze met vakantie naar Polen zijn haal ik de post uit de brievenbus. Dan weten anderen niet of de bewoners van dat huis weg zijn. Inbrekers. Onze Poolse buren doen dat soms voor ons ook. Het boek sluit daarom perfect aan bij mijn vakantielezen, beter dan die afgerichte mysterieuze havik, de jakhals met zijn gun en de omens van Coelho.
Na de stortregens van vorige week lekte het wat aan de achterkant van ons huis. Er bleef water op het platte dak van de serre staan. Met uren regen slaat er wat water door de naden van het dakleer. De Poolse buurman had zijn waterafvoer beschermd met twee grote zware vierkante stenen. Ik klom op het dak, vanuit het slaapkamerraam, tilde een van de stenen op en het water stroomde weg. Ik zei later tegen de Poolse buurman dat die stenen de waterafvoer tegenhouden, in mijn gebrekkige Engels. Water, flat roof, drain, stones, plastic thing fot the drain…
Hij zei: Saturday I will go to Gamma.
Hij kocht een plastic dingetje, plaatste dat in de afvoer, en alles was verholpen. Thanks for your help, zei hij toen hij op het dak zat en ik in de tuin stond. Ik zei dat ik een mooi boek aan het lezen was, over een Poolse familie. Ik liet hem Mijn Poolse huis zien. My Polish house.
I saw it in the Polish school, zei hij.
Het is heel goed, zei ik.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen