Op weg naar de voetbalclub, zo’n tien kilometer fietsen, van west naar oost door de stad, passeerde ik zeker zeven boekenkastjes waar heel treurig in de kou en regen allerlei afgedankte boeken staan.

Er zijn mensen die de kastjes schitterend vinden, ik zie er vooral eenzaamheid in, de totale inflatie van de waarde van boeken, veel smerige bedoezelde exemplaren met vlekken erop en erin, spuug, bloed, modder, haren ertussen, veel stof, en vooral zijn de rijen zo liefdeloos, de stapels zo gammel, er zit totaal geen orde in, en alles ademt: boeken zijn nog minder dan alle plastic zooi die mensen WEL in hun huizen laten staan. Boeken zijn alleen nog modieus decoratief, zelfs in het straatbeeld.

Mensen die intens houden van deze kastjes hebben waarschijnlijk thuis een kast vol dezelfde afgedankte schitterende boeken, boeken die uit elkaar vallen, met doorgevouwen kaften, ezelsoren, losse bladzijden. Toch houden ze vol werkelijk liefde op te vatten voor boeken. Doorgaans alleen voor GRATIS boeken, waar schrijvers en andere betrokkenen die al die boeken maken niks aan hebben. Nog minder houden ze van een boek in een echte bieb, waar ze droog staan, veilig, waar er alleen stickers op geplakt worden die het genre aangeven.

Maar goed, ik fietste dus langs zo’n kastje, en dan kijk je toch, als echte liefhebber. Dan wil ik weten wat er staat. Het is een oogwenk, net zoals tegenwoordig bij Brommer op Zee heel even een boekenkast in beeld komt en ik direct Infinity Jest herken, en De witte tijger, en allerlei andere boeken, alleen bij het zien van de rug met die gepaalde gekleurde letters. Die boeken staan in ieder geval nog in een kast, rechtop, droog, veilig. En er komt iemand langs die echt geïnteresseerd is.

Die kastjes op straat… het ergste zijn al die mensen die totaal ongeïnteresseerd langs zo’n kast lopen, die het echt geen drol uitmaakt of er iemand vol liefde haar oude boeken op straat heeft gezet, als vuil, die evengoed een bakstenen muur op die plek had gezien, of desnoods een plantenbak. Het is het etaleren van kunst op plekken waar niemand vraagt om kunst. Een schilderij aan de onderkant van een brug.

Maar ik keek dus al fietsend naar zo’n kastje, stompzinnig blauw geverfd met een rood dak, alsof boeken niks beters verdienen dan een lekkend kabouterhuis aan een veel te drukke weg, tussen andere fietsers, mensen in de tram, voetgangers die toch echt niet te snel gaan om even, heel even maar, te kijken naar al die boeken.

Ik fietste behoorlijk snel en zag de gele rug van een klein maar dik boek. Een pocket. Totaal flets geworden, de helft van de letters vervaagd, maar toch herkenbaar. Ik wist meteen: dit boek, over die abdij in de veertiende eeuw, dat verhaal van die uitgekookte slimme Brit in Italië, geweldig opgezet en behapbaar gemaakt door de hoofdstukken te verdelen naar zeven dagen met allerlei dagdelen zoals in die tijd gebruikelijk. Dit boek staat daar. Ik zag die monniken bij elkaar zitten, ik wist direct weer wie de verteller was, ik fietste verder met een voorval over een paard in mijn hoofd en een eerste dode, zoals het personage achterin het boek, bij de vertalingen van het Latijn, wordt genoemd.

Ik ging voetballen, het ging goed. Ik stond op doel en pakte een bal. Ik stond in het veld en pegelde die bal tegen de touwen, van ver, en nog steeds dacht ik als het spel even stil lag aan de gele pocket in het idiote kastje aan de trambaan, een wereld verhaal waar niemand meer op zit te wachten, waar niemand nog geen euro voor over heeft, dat waarschijnlijk na een paar weken daar op die duffe plank, tussen onvergelijkbare boeken van allerlei prutschrijvers, een boek over een dieet, een thriller die in Zweden speelt, een boekje over bierbrouwen, helemaal vergaan, zeker nu het herfst wordt.

Dus toen ik terug naar huis fietste, dezelfde weg, dezelfde afstand, besloot ik bij dat ene kruispunt wel over te steken, maar bleef ik zoeken naar dat kastje, het zogenaamde vereerde heiligdom van de hedendaagse cultuur, omdat onze cultuur tegenwoordig vooral GRATIS is en onze cultuur even vergankelijk is als een oud boek in een open kastje in oktober.

Ik bleef kijken, daar-is is, het kastje. Alles onveranderd natuurlijk. Hetzelfde suffe kookboek, die thriller, een hobbyboek met biervlekken, en dus ook In de naam van de roos. Ik nam het boek mee, ik bevrijdde deze klassieker van onpeilbare waarde van zijn plaats tussen de pulp, buiten in een Amsterdamse straat, de donkere wolken kwamen er alweer aan, en ik nam het mee naar huis, waar ik eerst het stof eraf wreef met een vochtig doekje (ik heb de ergste vorm van stofallergie), en het liet prijken op mijn stapeltje nog te lezen meesterlijke boeken.

Ooit bezat ik een grotere editie, met harde kaft, met dezelfde plattegrond erin, en namenlijst, dezelfde middeleeuwse letters op cover en rug, en op de titelpagina’s, een boek dat ik destijds weggaf omdat je met boeken wel iets heel moois kunt doen: andere oprecht geïnteresseerde lezers iets heel moois schenken, dat ze een flink aantal geweldige uren zal schenken – en dat je dat later terug hoort. Dank nog voor dat boek, het was geweldig.

Nee, zet de boeken die je niet meer moet buiten op straat, in een even afgedankt als gammel oud kastje van de IKEA, dat net zo slecht tegen vocht en zon kan, en laat iedereen zien dat boeken er zijn voor iedereen omdat ze in jullie ogen niet meer zijn dan oud papier – wat kan ik huilen als ik thuis naar mijn boekenkast kijk, de boeken afstof en ze soms tussen hun vriendjes vandaan haal en ze opensla en een stuk lees, een onbetaalbaar stuk tekst uit een heel andere wereld, en dat ik dan denk aan die kastjes met vaak ook nog een vrolijk briefje erop geplakt, een briefje dat WEL geplastificeerd is, zo van: NEEM GERUST EN DEEL JE BOEKEN IN DEZE MINIBIEB. Een nobele boodschap, die gezien de moeite die gedaan is om die zouteloze zieligheid te beschermen tegen het weer, meer waard is dan de boeken zelf. Boeken als objecten om te kunnen tonen hoe je in staat bent te delen, terwijl dat delen juist alles, werkelijk alles, waardeloos maakt.

Alleen al het woord MINIBIEB. Waarom zou je iets mini maken als er al een bieb in gewoon formaat is, waar wel voor boeken gezorgd wordt, en waar, ook al is het minimaal, de schrijvers van boeken een vergoeding krijgen voor wat ze gemaakt hebben. Waar boeken een harde cover krijgen omdat ze dan wat langer meegaan, omdat lezers die bijna niks over hebben voor hun leesvoer, boeken behandelen als… leesvoer.

Waarom worden die minibiebs niet massaal in de fik gestoken, zoals vroeger in de tijd van de beeldenstorm niet ieder aanstootgevend beeld gevaar liep van zijn sokkel getrokken te worden? Waarom pikken schrijvers en uitgevers en liefhebbers en mensen die echt houden van boeken deze totale waardevermindering en deze dikke middelvinger naar het complete uitgeefvak en de schrijverswereld?

Ik fietste naar huis met het boek van Umberto Eco, een gewaardeerd collega die zes jaar geleden overleed en snikkend vanuit zijn de hemel toegekeken zal hebben hoe ik zijn meesterwerk in waarde ging herstellen – alleen daarom tik ik dit verhaal.

En na een paar dagen al begon ik te lezen, en wandelde ik met de jonge verteller en William van Baskerville en de abt en zijn monniken mee door die mooie trage bladzijden, heel precies en ouderwets, en een passage ging over het werk van een jonge monnik, die van de toren was gevallen – hoe dat kwam gingen ze natuurlijk onderzoeken, en dat hij zulke mooie illustraties maakte in de boeken, die ze allemaal zelf in elkaar zaten te knutselen in die tijd. Meteen op de eerste dag gaat het over een rijke bibliotheek, bewaakt door slechts twee uitverkorenen en NIEMAND anders. Daar mag echt niemand komen, daar staan al die schitterende boeken, die ze schreven, kopieerden, waar ze tekeningen in maakten, en die ze lazen. Die ze koesterden. Die ze bewaakten. Die ze vooral NIET buiten in de kou en in het vocht en in het licht en in al die andere schadelijke elementen neerzetten. Waar ze van hielden.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen