Met mijn oudste zoon loop ik door de regen over een Frans asfaltweggetje. Hij is bijna zestien. De bus die ik met mijn vriend Harry gehuurd heb en die ons en onze gezinnen van Amsterdam naar de Dordogne bracht zit vast in een modderig bos. Google wees ons na elfhonderd kilometer rijden een onverhard weggetje op.

Dat lukt wel, zei Harry, die de auto reed.

Tuurlijk, zei ik.

Harry gaf gas.

Het lukte niet, de auto raakte muurvast in de bagger.

Harry en ik probeerden de wielen grip te geven met bladeren en takken, maar de voorwielen slipten en de trekhaak van de bus zakte zelfs tot op rand die tussen de sporen ligt. Weer proberen. Niks. Modderspetters op onze broeken. De vakantiesneakers waren doorweekt en bruin van het slijk.

We besloten dat ik hulp ga halen. Er moest iemand mee. Dat is altijd veiliger. Geen vrouw, geen kind. Harry bleef bij de auto en zou proberen die verder los te krijgen, met meer takken. Mijn oudste zoon zou mee gaan. Je moet altijd met z’n tweeën gaan. Dat is veiliger.

Goed, zei hij.

Het is harder gaan regenen. Ik heb geen regenjas bij me en de stoffen jas leek me zinloos. Mijn zoon heeft de turquoise regenjas van de vriendin van mijn vriend geleend. Het staat hem beeldig.

We moeten daar de bocht om naar links en dan weer links, zeg ik. Twee keer links.

Ik heb de kaart op Google nog even bekeken, toen was ook mijn batterij leeg.

Mijn zoon loopt naast me. Gaat-ie wel? vraag ik.

Jawel.

Hij is heel rustig, hij is altijd heel rustig.

Ik loop haastig, hij iets achter me, haastiger dan hij zou willen. Die momenten in de auto, met vier wielen in de modder, ik met mijn vriend Harry buiten in de regen, ook haastig, bladeren en takken zoeken in het bos, niet denken aan die sneakers en aan je natte shirt, hij weer proberen grip te krijgen met de wielen, ik kortademig voor de auto, turend naar een autoband die glibbert door een uitgesleten rijgeul, en dan vooral het moment kort daarop toen ik zei: Ik ga hulp halen.

Actie, een ander plan. Schakelen.

Jullie blijven bij de auto. Hij gaat mee.

Daar lopen we, het wordt al donker. Mijn shirt is doorweekt. Het is nog niet koud maar als het langzaam donker zal worden dan wordt het wel koud. Ik kan mijn shirt altijd nog uitdoen, dat zie je wel in survivalprogramma’s. Of je houdt elkaar warm. Hij heeft een regenjas, hij houdt het langer vol.

We komen bij het eerste kruispunt. Links moeten we, zeg ik. We lopen aan de linkerkant van de weg. Twee keer links en dan zijn we er, maar dit was al een heel stuk lopen en het stuk dat nu komt naar de volgende afslag is volgens de kaart die ik in mijn hoofd geprent heb nog verder.

Mijn zoon zegt niks. Hij loopt met zijn handen in zijn zakken. Hij maakt zich niet druk.

Ik denk aan mijn vriendin in de auto. Ze hebben nog een paar anderhalve literflessen water. Ze hebben nog kaas en worst en eten achterin het krat dat ik gisteren vulde. Weet ze van die droge worst? Dat geeft energie. Mijn jongste houdt niet van droge worst. Volgens mij is het snoep op. Misschien zijn er nog koekjes. Zonder eten gaat hij zeuren.

Allemaal vragen. Allemaal stress. Ik voel niks dan stress, adem kort, en mijn zoon loopt naast me alsof hij gaat winkelen.

Harry zal nu zeker bezig zijn met de wielen en de auto, met takken en gassen en grip proberen te krijgen. Misschien krijgt hij hem los. Hij is heel handig en hij geeft niet op.

Mijn zoon zegt: Daar staat een bord.

Langs de kant van weg staat inderdaad een bord, ik had het nog niet gezien. Wit. Er staan rode letters op. Bois. Dat is hout. Of bos. Interdit. Dat staat overal in Frankrijk op borden langs dit soort landweggetjes. Alles is hier privéterrein en alles is interdit.

Wat staat erop? vraagt hij.

Dat dit een bos is om te kappen. Het is productiehout.

Dit allemaal?

Ja.

Wat doen die mensen hier? vraagt hij. Alleen wachten tot de bomen groot genoeg zijn om ze te kappen, en dan zagen ze ze om. En dan verkopen ze het hout?

Ja, zeg ik weer.

De weg is bochtig. na iedere bocht verschijnt er niet een huis of desnoods een oprit, na iedere bocht is er weer een andere bocht.

Het is een kilometer, zeg ik. Iets verder. Naar de volgende weg linksaf.

Oké, zegt hij.

Hij heeft zijn handen in zijn jaszakken. Over zijn hoofd de capuchon waar het regenwater vanaf druipt. Hij loopt heel rustig.

Ik denk aan de auto, maar zeg er verder niks over. Het is net of het hem allemaal niks uitmaakt. Zo doet hij op school ook, als hij een tentamen heeft. Of als hij ergens op tijd moet zijn. Of als hij thuis een klusje moet doen, afdrogen van de pannen of een keer stofzuigen of het afval naar de containers brengen. Hij maakt zich niet druk, ook nu niet.

Weer een bocht. In de verte wordt het wel lichter. In de lucht. Of lijkt dat maar zo?

Ik wil iedere keer op mijn telefoon kijken, maar die is leeg. Er zit een usb-aansluiting in de huurauto, maar die deed het niet. Dat was de pech van deze vakantie. Geen stroom, geen navigatie, geen alternatief. De modder in. Ploeteren, alles vies.

Daar is het weggetje, zegt mijn zoon.

Ik zie het weggetje ook. Hij ga sneller lopen. Ik juich bijna. Hier is het. We komen dichterbij.

Hij heeft het al gezien, net achter een enorme stapel boomstammen. Hij lijkt geen haast te hebben. We zijn al zeker een halfuur aan het lopen, misschien wel drie kwartier. We zwijgen.

Vanaf dit punt is het alleen de weg volgen naar het zuiden en dan moeten we bij het huis van de eigenaar komen die ons zijn vakantiewoning heeft verhuurd. Overal zijn stapels hout. Bomen, allemaal op dezelfde lengte gezaagd, vormen muren langs de weg.

Het wordt schemerig. Ik kan de bomen in de verte niet goed meer van elkaar onderscheiden en tussen die loofbomen is alles zwart.

Weer een paar bochten, en dan is daar weer een bord waar de naam Lacoste op staat. Dat is de naam. Hier is het. Bois. Lacoste heeft een houtbedrijf. Iets verderop is er een zijweggetje dat een heuvel op kronkelt. We kunnen nog geen huis zien maar ze moeten aan dit weggetje wonen.

We lopen de heuvel op. Na een bocht verschijnt een schuur. Leven, een bouwwerk, hout. Heel veel hout.

Hopelijk hebben ze een tractor of zoiets, zeg ik.

Ja, zegt mijn zoon.

Dan zien we het huis. Het is niet heel groot. Drie ramen, twee verdiepingen, een deur in het midden. Luiken. Geen licht te zien.

Zijn ze er wel? vraagt hij.

Dat gaan we zien. Ik loop sneller. Ik klop op de deur maar al aan het geluid kan ik aflezen dat hier niemand is.

We lopen om het huis heen. Aan de achterkant is nog een deur. Ook daar klop ik op, maar ook daar geen reactie.

Hallo, roep ik.

Ssst, zegt mijn zoon. Maar hij weet toch ook wel dat we hulp nodig hebben.

Hallo! Iets harder nu.

Niemand.

Laten we maar terug naar de weg gaan. zeg ik. Misschien komt er een auto en anders missen we die.

Mijn oudste zoon zegt niks. Hij sjokt achter me aan naar de grotere asfaltweg. Hij loopt alsof hij met de familie mee moet naar een speeltuin of een park of een kinderfeest waar hij eigenlijk te oud voor is.

Welke kant op?

Verder, zeg ik. Laten we maar verder lopen. Terug is niks.

We lopen verder de weg af, langs een heuvel die links van ons steil vanaf de weg de hoogte in schiet. het regenwater druipt van de bomen, van de heuvel de goot in.

Nergens een huis.

Maar dan opeens lichten die bewegen, en geluid, tegelijk. Een auto.

Yes, zeg ik. Ik zwaai met mijn armen. Ik ga bijna midden op de weg staan. Hij moet stoppen. Ze moeten ons helpen.

Hij stopt. Het is een stevige auto. Dat zie ik wel. Die kan ons uit de modder trekken. Achter het stuur zit een Fransman, een klein mannetje.

Hallo, zeg ik. We are stuck.

Stuck? vraagt de man.

Yes.

Ik wijs.

Ik spreek geen Frans. Ik praat snel en kortademig. Ik probeer duidelijk te zijn.

In the mud. In the forest.

De man kijkt me aan. Hij gebaart naar de deur en naar de achterbank. Hij zegt iets in het Frans. Ik begrijp hem niet maar mijn zoon zegt: Instappen.

Ik ga naast de man zitten. Mijn zoon achterin.

Het is droog in de auto, en warm. Hij puf. Ik zeg: Can you help us?

Help, zegt de man. Oui.

Ik probeer te bedenken wat vastlopen is in het Frans en auto, en bos… Bois. In the bois.

Ik kom er niet uit. Ik wijs in de richting die hij op zou gaan.

Dan zegt mijn zoon opeens iets. Hij wijst naar de voorruit en zegt iets in het Frans. Een lange zin. Voe bwa dun vwa tuur dun fa mielje bla bla.

De Fransman knikt.

Hij rijdt de weg op, geeft flink gas.

Wat heb je gezegd?

Gewoon, zegt mijn zoon. Verder niks.

En ik zit heel stil en koud op de bijrijdersstoel. Ik ben opeens een bijrijder.

Bij het kruispunt wijst mijn zoon, de man gaat rechtsaf en verderop gaat hij weer rechts en in het donker bereiken we Harry en de bus. Hij is een klein stukje achteruit gegaan, maar zit nog steeds vast.

La il son la, zegt mijn zoon. De Fransman knikt. Bon.

Hij zet de auto aan het begin van de modderige weg, keert de auto en stapt uit, samen met mijn zoon.

Reste isie.

Ik blijf zitten. Zal wel komen omdat ik geen regenjas aan heb. Nu heb ik het pas echt koud.

Ik zie hem een stevig touw uit de achterbak halen. De Fransman knoopt het touw aan de trekhaak van zijn wagen en aan de bus. Hij komt weer achter het stuur zitten en zegt weer iets. Al die klanken en de regen op het dak, het klinkt allemaal hetzelfde.

Mijn oudste zoon staat in zijn turquoise regenjas in de modder en hij praat en roept wat in het Frans en de man trekt onze bus met Harry weer achter het stuur uit de modder.

We bedanken de Fransman. Thanks, zeg ik zacht als ik hem een hand geeft. Hij glimlacht naar me. Hollandesie, zegt hij en hij klopt mijn oudste zoon op zijn schouders en zegt iets en ze lachen allebei. Harry lacht ook. Mijn vriendin lacht. Mijn jongste zoon zit nog steeds in zijn stoeltje op de achterbank van het busje. Hij lacht ook.

*

Verscheen in tijdschrift Sintel.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen