Maandag 30 mei 1972, 12.30 uur
In zijn werkkamer in het pand aan de Raamgracht is vanochtend het levenloze lichaam aangetroffen van de hoofdredacteur van Vrij Nederland. Vermoedelijk is hij om het leven gekomen door herhaaldelijke slagen met de wandelstok die naast het lichaam is gevonden – sporen wijzen dat uit. Volgens bronnen is het zijn eigen wandelstok. De politie doet nog onderzoek maar tast in het duister wat betreft motieven en dader.

Zaterdag 28 mei, 9.10 uur
In een etagewoning in Amsterdam-Zuid sorteert een vrouw de was. De wasmand heeft ze op de rand van het bad gezet, dan hoeft ze niet te bukken. Sokken, onderbroeken, een hemd. Zijn broek. Zoals altijd kijkt ze alle broekzakken na. Soms vindt ze een zakdoek, soms wat kwartjes of guldens. Ze heeft haar man al heel vaak gezegd dat hij zijn zakken moet legen, maar hij luistert niet, of vergeet het. Ze houdt het op dat laatste. Deze ochtend vindt ze in een van zijn kontzakken een papiertje dat ze aandachtig drie keer leest. Daarna ontdekt ze op de mouw van zijn overhemd ook nog een veeg lippenstift.

Vrijdag 27 mei, 18.59 uur
Na het vierde glas wijn schakelt ze over op rood. ‘Eén wit, één rood,’ zegt ze tegen de barman, die niet alleen verbaasd is over haar tempo van drinken, maar ook over het tempo waarop ze sigaretten aansteekt, de een met de ander. Toen ze hier gingen zitten, was de asbak leeg, nu liggen er zeven peuken. De uiteinden van filters zijn rood gekleurd.
De hoofdredacteur houdt zich met beide handen vast aan de koperen rand van de bar. Ook hij heeft vier glazen geleegd. Hij zit nog op zijn kruk, maar ze weet: als hij een van zijn handen loslaat, valt hij om.
De wijzers van de klok aan de wand naast hen lijken de verkeerde kant op te draaien.
Ze is een opvallende verschijning: lang, statig, mooi gezicht, modieuze bruine rok. Ze kan zo uit de Astra zijn gestapt.
Ze vertelt de hoofdredacteur over haar leven in de schijnwerpers, wat hij vast ook wel kent.
Hij kijkt wazig, maar knikt.
‘Het heeft voordelen en nadelen,’ zegt ze, ‘maar wat je eigenlijk wilt, is gewoon wat erkenning, gewoon wat liefde.’
Ongemerkt is hij met kruk en al een stukje haar kant opgeschoven. Ze zitten vlakbij elkaar.
‘Laten we daarop proosten,’ stamelt hij.
Daar heeft ze op gewacht. Ze pakt haar wijnglas, hij het zijne. Hij houdt het in de lucht, maar mist beweging en richting. Zij tikt haar glas behoedzaam tegen zijn glas. Een mooi zingend geluid dat lang tussen hen in blijft hangen.
‘Proost.’
‘Proost.’
Hij kijkt haar nu recht in haar ogen, durft niet met de zijne te knipperen, alsof haar verschijning dan plotseling verdwenen zal zijn. Dit is werk, zegt hij steeds tegen zichzelf, dit is de leuke kant van mijn functie.
Na een twee drie vier seconden wendt ze haar blik af – ze heeft geteld. Ze weet: drie trage seconden is genoeg. Die vierde was voor de zekerheid. Dan zet ze haar glas op de rand van de bar, net niet ver genoeg. Het glas kantelt en rode wijn gutst over zijn corduroybroek. Ze kan het glas nog net opvangen.
Vloeken durft hij niet. Na wat gewapper met zijn hand zegt hij alleen: ‘Het geeft niks hoor, het geeft niks.’
Ze vraagt een doekje aan de barman. Hij reikt het aan en zij dept zijn broek, zijn bovenbenen. Zachtjes. Het is een flinke vlek die uitloopt naar zijn kruis.
Bij het wrijven en deppen schuift ze met haar vrije hand een papiertje in de kontzak van zijn broek.
‘Het valt wel mee,’ zegt hij. ‘Zal ik een nieuwe voor je bestellen?’
‘Als je dat wilt doen,’ zegt ze zacht.
Weer kijkt ze hem aan. Ze komt iets dichterbij, legt een hand op zijn bovenarm en even drukt ze de zijkant van haar hoofd tegen zijn schouder.
Hij is de rode wijn alweer vergeten. Hij ruikt lavendel, hij ruikt de zon. Hij ruikt de Méditerranée.
‘Op Cannes,’ mompelt hij.
Ze steekt nog een sigaret op, inhaleert diep en blaast de rook uit in de richting van de barman, die nog steeds doet alsof hij niets heeft gezien.

Vrijdag 27 mei, 17.36 uur
Ze is wat later, bewust. Pas tegen halfzes loopt ze van hun huis de hoek om naar het trapje van café de Engelbewaarder. Met een paar soepele passen naar boven. De hoofdredacteur zit aan een tafel bij het raam op haar te wachten. Ze knikt naar hem, je bent er al, en zegt: ‘Laten we een tafeltje achterin zoeken. Ik sta al genoeg in de etalage.’
‘Ik begrijp het.’
Hij komt de verhoging af en volgt haar langs de bar. Zijn wandelstok tikt op de houten vloer. Hij is een kop kleiner dan zij. Aan het einde van de bar staan een paar vrije krukken, daar gaat ze zitten.
‘Wat wil je drinken?’
Ze zegt bewust ‘je’. Hij schuift naast haar op een kruk, het lengteverschil is minder nu. Zijn wandelstok hangt hij aan de rand van de bar.
‘Droge witte wijn,’ zegt ze.
Hij knikt. Dat is iets nieuws, weet hij en hoewel hij het liever bij bier houdt, soms misschien een Belgisch biertje, wil hij ook wel zo’n wijntje proberen. Koude wijn, met condens aan het glas. Franse toestanden. Hij gaat het gewoon proberen.
Ze legt haar pakje sigaretten op de bar. De barman schenkt twee mooie hoge in, een licht soort vloeistof dat hem doet denken aan verdund appelsap.
Ze proosten.
Dan zegt hij: ‘Sylvia, ik ben benieuwd naar je plan.’
‘Dat is eenvoudig,’ zegt ze. ‘Deze zomer ben ik weer in Cannes en volgens mij is het interessant om daar verslag van te doen.’
‘Interessant,’ herhaalt hij. ‘Foto of tekst?’
‘Allebei.’
Ze maken een plan. Ze maken een planning. Ze steekt weer een sigaret op.
‘Hebben jullie een schrijver die hier een mooi verhaal van kan maken?’ vraagt ze.
‘Altijd, en anders ga ik zelf mee.’
Ze kijkt hem even aan en glimlacht. Dit gaat goed, denkt ze.

Vrijdag 27 mei, 11.01 uur
Bij de groenteboer in de Nieuwe Hoogstraat koopt Sylvia een netje sinaasappelen Uit het tasje dat ze bij zich heeft, haalt ze eerst een tijdschrift, daarna stopt ze de sinaasappelen in de tas. Ze gooit het tijdschrift in een vuilnisbak.
Ze gaat naar huis. Langs de Zuiderkerk of over de gracht? Ze kiest het straatje dat langs de kerk komt. Er is niemand op straat. Haar voetstappen echoën tussen de gevels. Een kant van het pleintje bij de ingang van de kerk is afgezet met grote hekken, daarachter de bouwput van de metro. Het is minder een chaos dan de jaren hiervoor, maar nog steeds is het plein een plek voor bouwvakkers en niet voor mensen die van de stad en de rust willen genieten. Of even een sigaret willen roken op een bankje, in de zon.
De hoek om, het grachtje over, daar is hun huis.
De woonkamer is heel stil.
Hij is weer in slaap gevallen, denkt ze.
Ze legt de sinaasappelen op tafel.
Uit het schrijfblok dat op tafel ligt, scheurt ze een stuk papier. Aan de linkerkant rafelige gaatjes, allemaal kapotgescheurd.
Op het papier schrijft ze: ‘Bel me ik wacht op je, net als gisteravond. SK’
Daaronder haar telefoonnummer.

Vrijdag 27 mei, 10.46 uur
Het zijn nog geen vijftig passen: de brug over en aan de andere kant van de gracht meteen het tweede pand. De bomen staan alweer vol in het blad, het zonlicht wordt gefilterd. Het is een kolossaal gebouw met een grote deur. Boven de deur een halve boog met mooie uitgesneden ramen. Een triomfboog.
Ze belt aan. Er klinkt een harde zoemer en ze duwt de deur open, die zwaar draait.
Achter de hoge balie zit een vrouw. Ze zegt eerst niks, kijkt haar alleen even aan, en zoals alle mensen die ze op straat of waar dan ook tegenkomt ziet ze direct aan de blik van de vrouw dat ook zij haar herkent. Het geeft haar een voorsprong, het geeft haar ook een achterstand. Maar ze is voorbereid.
‘Goeiemorgen.’
‘Welkom, mevrouw. Waar kan ik u mee helpen, mevrouw?’
‘Ik zou graag de hoofdredacteur even spreken.’
De vrouw aarzelt. ‘Ik weet niet of hij er is, mevrouw.’
‘Ik weet dat hij er is,’ zegt ze rustig. ‘En zeg hem maar dat het niet om het meest recente nummer gaat.’
Ze pakt de hoorn van de grijze draaitelefoon, kiest twee cijfers. Het ding ratelt. Dan zegt de vrouw: ‘Ik heb hier mevrouw Kristel voor u.’
Even een stilte.
Dan zegt ze: ‘Nee, daar gaat het niet over.’
Weer luistert de vrouw even. Ze kijkt op naar Sylvia, die vriendelijk naar haar glimlacht en knikt.
‘Daar gaat het niet over, kan ik u verzekeren.’
Ze hangt op.
‘Loopt u maar door mevrouw. Het is hier de trap op, de eerste kamer rechts.’
Bij iedere trede wrijft haar rok over haar bovenbenen. De tas bungelt aan de lange hengsels over haar schouder. Ze komt een man tegen in een groene trui. Ook hij herkent haar direct, maar hij zegt niks, behalve een kucherig goeiedag.
De deur naar de kamer rechts staat open. Visgraatparket. Achter een bureau zit een man. Hij heeft een bril op. Tegen het bureau leunt een wandelstok. Ook hij zegt goeiemorgen, enigszins op zijn hoede. Hij schuift iets naar voren over de zitting van de zwartleren stoel en gebaart dat ze verder kan komen. ‘Komt u binnen, komt u binnen.’
‘Goeiemorgen,’ zegt Sylvia. ‘Ik wil alleen even iets vragen.’
Hij gaat tegen de rugleuning zitten.
‘Vragen staat vrij.’
Sylvia zegt: ‘Dat is mooi. Zoals u weet ben ik zijdelings wel een beetje geïnteresseerd in lezen en in boeken, maar ik zou graag eens met u over iets anders willen praten. Iets dat meer bij mij past.’
‘Wij zijn een weekblad,’ zegt de hoofdredacteur. ‘Wij staan open voor ieder goed plan.’
‘Volgens mij past mijn plan wel bij jullie.’
‘Vertel.’
Ze kijkt de kamer rond.
‘Ik vertel graag, maar liever in een wat minder zakelijke omgeving, als je begrijpt wat ik bedoel.’
‘Dat lijkt me een heel goed idee,’ zegt de hoofdredacteur. ‘Ik kan me ook wel een iets betere omgeving voorstellen.’
‘Een iets lossere omgeving,’ vult ze aan en ze doet een stap de kamer in en kijkt kort over haar schouder. Een pose die ze in Monaco heeft geleerd.
‘Dat bedoel ik.’
‘Vanmiddag?’
Die vraag verrast hem, en toch knikt hij direct. ‘Ik maak tijd vrij.’
‘Vanmiddag om vijf uur hier om de hoek. U weet wel welk café.’
‘Dat weet ik wel,’ zegt hij zelfverzekerd, en met kleine trots. Hij was dan nooit in Monaco, hij is wel een man die op deze grachten de weg kent.
‘Tot dan,’ zegt ze en na een korte hoofdknik loopt ze de kamer weer uit.

Vrijdag 27 mei, 10.22 uur
Net als ze een Pall Mall opsteekt, hoort ze sloffende voetstappen op het trapje en vrijwel aansluitend het rammelen van de brievenbus, en dan een plof op de deurmat. Ze legt de sigaret in de asbak en loopt naar de hal. Vier brieven en een tijdschrift. Er zit een bandje om. Op de terugweg naar de kamer met de tafel en de asbak schuift ze het bandje eraf en slaat ze het tijdschrift open – achterin. Een paar keer bladeren. Daar is hij. Onmiskenbaar, ook al is het licht niet best.
Het gaat haar niet om de foto, het gaat haar om de tekst rechts van de foto, die ze vluchtig maar ook indringend leest, de sigaret in haar hand, ze inhaleert niet. Haastig leest ze, haast zonder te ademen. Ze scant het stuk op bijvoeglijke naamwoorden. Die haalt ze er meteen uit.
‘Tuttig, afstandelijk, het grootste bezwaar, dommig, onverwachte diepzinnigheid, eindeloos geouwehoer, oneindige breedsprakigheid, willekeurige vertelling, oubollige meligheid, laat hij verder zwijgen…’
En juist dan hoort ze vanuit de slaapkamer haar naam, zacht maar ook dwingend uitgesproken door een donkere stem.
‘Sil.’
Als een zieke die om een dokter roept.
Ze slaat het tijdschrift dicht. ‘Ja.’ Ze neemt een flinke hijs van de sigaret, drukt hem dan uit in de asbak.
‘Sil,’ herhaalt hij.
‘Hoe gaat het?’ vraagt ze, en ze loopt door de kamer, doet de schuifdeuren open en ziet hem liggen in bed. Misschien oogt hij iets beter dan de dag ervoor, ze weet het niet precies. Hij ligt in de kussens, maar zit wel overeind.
‘Iets beter,’ zegt hij. ‘Maar sinaasappelen, dat zou lekker zijn. Verse sinaasappelen.’
‘Die ga ik halen,’ zegt ze.
‘Om te persen,’ zegt hij nog.
‘Dat begrijp ik, liefje.’
Hij knikt en zakt iets terug in de kussens. Iets in dat beeld is haar vertrouwd. De immense bontjas die hij in de winter iedere dag draagt, ook binnen, ontbreekt, maar ook nu zit hij midden in veelkleurige stof, onder een deken die uit honderden gehaakte blokjes bestaat, en daardoor is hij precies zoals anders, alleen slap en bijna levenloos.
Ze gaat de kamer uit. In de keuken haalt ze een linnen tas van de haak. Ze pakt het tijdschrift van de tafel, kijkt nog een keer naar de naam van de recensent. De hoofdredacteur zelf. Ze stopt het tijdschrift in de tas. Dan gaat ze door de hal naar de deur, het trappetje af.

Maandag 28 november, 10.22 uur
Bij het politiebureau aan de Warmoesstraat wordt een doosje bezorgd. In het doosje zit een roman. Uit de roman steekt een mes. De titel is doorgekrast, de naam van de schrijver is goed te lezen: Hugo Claus. Onder zijn naam is een nieuwe titel geschreven: Laat hij verder zwijgen.

*

Naschrift
Tot 2015 was Vrij Nederland gevestigd op Raamgracht 4. Na even zoeken kwam ik erachter dat Hugo Claus, een van mijn favoriete Nederlandstalige schrijvers, begin jaren zeventig op dezelfde gracht woonde, samen met actrice Sylvia Kristel, op nummer 5-7. Dat was tegenover Vrij Nederland. Daar moest een verhaal in zitten. Een verhaal dat overigens volledig fictief is. Toenmalig hoofdredacteur van VN Rinus Ferdinandusse, veertig jaar geleden de bedenker van de Thriller en Detective Gids, leeft nog. Ik leerde hem kennen toen ik in 2012 in de jury zat van het festival Film by the Sea in Vlissingen. Ferdinandusse was juryvoorzitter. Hij liep met een stok.

Jan van Mersbergen