Zoals iedereen waarschijnlijk weet ben ik die schrijver die Carnaval / Vastelaovend viert in Venlo. Carnaval is mystiek, want het is de alledaagse werkelijkheid ontstijgen, maar mystiek is juist ook het verbinden van het bijzondere met het dagelijkse leven.

Verder ben ik van woorden, van tekst, van proza, van verhalen.

En dus begin ik met Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel Garcia Marquez, over het plaatsje Macondo, over een hele eeuw, waar op een gegeven moment, en dat is mijn grootste herinnering aan die roman, een spoor van bloed van een personage, overduidelijk gewond, vandaan loopt, een heuvel af, precies naar een huis toe dat een veranda heeft met een trapje. Het bloed komt daar aan, stoomt het trapje op, en gaat naar binnen, als teken van … Wraak of symboliek, het maakt niet uit. Een vloeistof die omhoog kruipt, een trapje op, en dat het verhaal toch nog steeds geloofwaardig is en aannemelijkheid. Het gaat om geloof en aanname. Het geloven in verhalen, in iets wat niet kan en toch gebeurt, of wat niet kan en toch beschreven wordt, en daardoor echt wordt.

Een bloedspoor dat een trapje op gaat en een huis binnengaat, mijn moeder, die geboren is achter de HAK-fabriek in het Brabantse Giessen, zou zeggen: ‘Da bestaa nie.’

Met schrijven balanceer ik al twintig jaar op de grens van wat ik kan vertellen en aannemelijk kan maken, en wat mijn moeder zou geloven als ze het zou lezen.

In de dikke roman (879 bladzijden) die heet 22-11-1963, 22 november 63, van de geweldige schrijver Stephen King, beschrijft hij hoe een leraar bij zijn vaste lunchroom, een soort trailer, een luikje ontdekt waar, als je er door stapt, je in 1958 terecht komt. De baas van de lunchroom kon daardoor zijn hamburgers erg goedkoop houden, omdat hij zijn vlees inkocht in 1958. Heel grappig, en mysterieus en zo opgeschreven dat je het volledig gelooft.

De leraar besluit naar 58 terug te gaan om de moord op JF Kennedy te verijdelen, en zo de geschiedenis te veranderen.

Op pag 287 vertelt die leraar over de mooiste weken in die tijd, als hij in 1958 in een blokhut verblijft:

‘Die vijf weken zijn misschien wel de beste van mijn leven geweest. Ik zag niemand, behalve het echtpaar van de winkel waar ik twee keer per week mijn eenvoudige boodschappen haalde, en meneer Winchell, eigenaar van de blokhutten. Hij kwam elke zondag langs om zich ervan te vergewissen dat het goed met me ging en dat ik me amuseerde. Ik bevestigde dat elke keer en het was geen leugen. Hij gaf me de sleutel van de materialenschuur, en ik ging elke ochtend en avond met een kano varen, als het water kalm was. Ik herinner me dat ik op een van die avonden een volle maan geluidloos boven de bomen zag opstijgen, en hoe die maan een zilveren baan van licht over het water uitwierp terwijl de weerspiegeling van mijn kano als een dronken tweeling onder me hing. Ergens riep een fuut, en hij kreeg antwoord van zijn vriendje of partner. Algauw mengden andere futen zich in het gesprek. Ik trok mijn peddel in en bleef driehonderd meter van de oever af stil op het water zitten, kijkend naar de maan en luisterend naar de futen. Ik dacht dat als er ergens een hemel was en het niet zoiets was als dit, ik er niet heen wilde.’

In een hemel geloven is in Carnaval geloven. In lagen aanbrengen. Daarom verkleden wij van mijn Amsterdamse vereniging ons bij voorkeur als iets, mét iets extra’s. Voorbeeld: we worden geen piloot, enkel het beroep, maar liever een automatische piloot. Dat biedt meer mogelijkheden, meer lagen.

Ook heb ik inmiddels mijn eigen traditie om na een Carnavalsdag of -periode een kaarsje op te steken in het kappeltje van Genooj. Daarover schreef ik ooit een kort verhaaltje dat ik op mijn eigen site plaatste:

‘Over een paadje langs de Maas liep ik naar de kapel. Er passeerden een containerschip en een schip met olie. De dag ervoor vierde ik het begin van de Vastelaovend. In de ochtend dronk ik koffie en toen ging ik wandelen. En man met een wit hondje zei me gedag. Zoals altijd na een Carnavalsdag ben ik emotioneel en tegelijk helder. In de kapel stak ik een kaarsje op. Ik deed drie wensen en dacht aan mijn naasten. Terug naar de stad liep ik langs een grote weg. Mijn benen voelden zwaar. Ik wist dat ik over deze wandeling zou schrijven maar toen ik terug in de stad was kon ik niet veel meer verzinnen dan die boten, het witte hondje en dat kaarsje in de kapel. Meer was er ook niet. Toch was het kaarsje heel groot en warm want ik wist op dat moment wel precies wat ik moest denken.’

Het boek van Stephen King over terug gaan naar 58 kocht ik dit jaar, in 2022. Zoals gezegd heet het 22-11-1963, de dag waarop Kennedy werd vermoord.

Geloof het of niet, maar het verhaaltje over het kapelletje publiceerde ik op 22 nov 2021, precies 58 jaar na 1963.

Die verbanden vormen de mystiek die vandaag de dag in mijn eigen leven zichtbaar kan worden, alleen door te doen, door verbanden te leggen, door een kaarsje op te steken, door te lezen en te geloven in de kracht van fictie en in een hemel, in Carnaval, in het leven zelf en alles wat er bij het leven hoort, ook de dood.

Mystiek is het leven zelf.

*

(bij de opening van de tentoonstelling Mystiek, in het Limburgs Museum, Venlo, oktober 2022)

Jan van Mersbergen