Na een week van binnen zitten en naar de regen kijken door de ramen, was ik wel klaar met de herfst en vooral met het benauwde en het donkere van de vier muren en de grijze lucht buiten. Overdag de lampen aan. Dus ik haalde zijn winterjas erbij, een nieuwe, een enorme winterjas met capuchon. Zijn sjaal. Ik zette mijn zwarte muts die ik uit een mandje onderin de kledingkast had gehaald weer op, trok mijn jas aan en deed mijn goeie nieuwe gele regenjas eroverheen, winterschoenen aan. Mijn zoontje stapte in zijn laarzen. Moet deze hier? Nee dat is links. En toen we alles aan hadden wandelden we naar buiten, de tuin in, de poort door naar het slootje achter het huis. Rechtsaf waar het riet alweer hoog staat en de eendjes wel te horen maar amper te zien zijn. We wandelden door de regen naar de ringdijk. Er was niemand. Het waaide en het was koud maar hij hield mijn handje vast en trotseerde de regen zoals een Hollands kereltje in zijn jonge jaren moet doen. Daar zal hij later nog wel een keer aan terugdenken, en ook aan de chocolademelk die hij daarna thuis dronk. Ik had zwarte koffie.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen