Het was de eerste keer dat ik met mijn oom meeging, jagen. Mijn oom had een buks en groene kleren. We gingen de polder in. Soms moesten we over slootjes zien te komen. Dat lukte vaak door een goed plekje te vinden waar je kon springen, soms was er de polsstok nodig die ik moest dragen. Hij jaagde op fazanten, eenden, konijnen en hazen. Groot wild zat er niet in de polder, al lag er bij mijn vader op het land wel een keer een hertje.
Het was een jong hertje, en waarschijnlijk ziek. Hij was weggekropen tussen de struiken en lag tegen een houtopslag aan, beschut. Het hertje moet langzaam gestorven zijn. Hij moet hulpeloos geweest zijn. Ik dacht steeds aan dat hertje. het dier had een jager tegen moeten komen. Hij moest zijn lijden ondergaan hebben met zijn enige wapen: geduld.
Ik hoopte steeds dat we geen dieren tegen zouden komen. Geen dieren die niet leden. Ik zag zelden hazen of fazanten in de polder, of ik keek niet goed. Ik wist wel dat de soorten op bepaalde aantallen in stand gehouden moesten worden, anders kreeg je toestanden die niemand wil, zoals tegenwoordig in Zandvoort waar hertjes door de straten struinen, op zoek naar eten, dat ze voornamelijk vinden in afvalbakken en in moestuintjes. Hertjes zijn daar de nieuwe meeuwen.
Vreemd wel, dat meeuwen nooit afgeschoten worden, of vergis ik me daarin? Op herten in Zandvoort wordt ook niet gejaagd. Of inmiddels wel? Ze hebben het halve dorp leeggegeten en overhoopgehaald.
Die dag schoot mijn oom helemaal niks. Hij legde niet een keer aan. Het was een prachtige wandeling. Het was zo’n beetje alsof ik aan het vissen was. Ik ga heel graag vissen, maar vang nooit iets. Volgens mij kun je prima een soort in stand houden door niks te schieten of op te hengelen. Als de soort slim genoeg is om in grote getalen onzichtbaar te zijn dan verdienen ze wel een plekje in die uitgestrekte polder.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen