Corona is bepalend in ons huidige leven, vrijwel dit hele jaar, maar hoe verhoudt zich dat virus en de lockdown tot een depressie? Octavie Wolters schreef er een fijn klein boek over: Slot, een gelimiteerd, gesigneerde kunstuitgave bij Gloude, iedere druk honderd exemplaren.
‘Op 2 april schrijf ik voor het allereerst in mijn carrière over mijn depressie en hoewel ik het dan nog niet woordelijk opschrijf, voel ik al wel de link tussen vergrendeling van het land en de tweejarige opsluiting in mezelf.’
Wolters zit al die tijd al opgesloten. Ze woont in Limburg, aan de Duitse grens, die opeens weer net zo nors is als in haar jeugd, terwijl het land, de wegen en de mensen in feite aan beide kanten van de grens hetzelfde zijn.
Dat is tekenend voor dit dagboek, waarin steeds netjes genoteerd staat hoeveel besmettingen en doden corona heeft geëist, en wat er op die dagen bij Wolters speelde. Het land en de mensen veranderen niet, maar door corona worden de grenzen opeens zichtbaar, wordt afstand groter, worden levens anders. Door depressie worden grenzen onzichtbaar veranderd, wordt afstand onzichtbaar veranderd, veranderen complete levens zonder dat een ander het ziet. Het is een persoonlijke individuele lockdown.
Over depressie lezen is moeilijk. Ik heb zelf te veel met depressie te maken gehad om er rustig een boek over te kunnen lezen, niet bij mezelf trouwens, en in die zin zou je kunnen zeggen dat ik er vrijwel niks vanaf weet, maar mijn ex liep over van de depressie en dat speelt deze maand bij het lezen van vrijwel ieder boek, daarover volgende week meer. Voor nu Octavie Wolters, haar depressie en dit proza.
Op bladzijde 40 vertelt ze over de posters die in het voorjaar werden uitgedeeld die mensen op hun raam konden plakken, mat daarop de tekst: ‘Ik kan wel wat hulp gebruiken.’ Nog een tekenden punt. De persoon met de depressie zal nooit zo’n poster voor het raam hangen. Ook zullen er geen cijfers over deze depressie gepubliceerd worden.
Wolters schrijft sterk en zonder sentiment. Veel depressie-proza is sentimenteel. Een poging om na lang verstoppertje spelen opeens te roepen: Daar ben ik!
Dat doet Wolters niet. Ze heeft haar plaats in haar gezin, volgens mij drijft haar dat voort. Als een van haar kinderen een beer zoekt om voor het raam te zetten, in mijn buurt in Amsterdam staan er nog steeds een paar vergeten beren her en der de straten in te kijken, komt het meisje met een schaap aanzetten dat ze gekunsteld voor het raam hangen. ‘Het leek inderdaad of er zich een schaap voor mijn raam verhangen had.’
Dat is een grappige luchtige toon die vertrouwen geeft, in het proza en in Wolters zelf. Sterk schrijven vanuit een depressie is moeilijk.
Als ze tegen haar dochter eruit flapt: ‘An der Nase des Mannes…’ verzucht de dochter dat het Duits wel weer iets van een bekende schrijver zal zijn: ‘Alweer Rilke zeker.’
‘Ja,’ zei ik toen maar.
Ook dat is grappig, het geeft een beeld van het gezin, van de schijfster zelf en van de toon van haar proza, dat bovendien bijgestaan wordt door haar tekeningen, die even beeldend zijn, met kriegelig dunne pen, of de stompe afdrukken van stenen die ze in het bos vond, of in de vorm van linosnedes, ‘waar materie wordt weggehaald om de contouren van het beeld bloot te leggen.’
De verhalen zijn herkenbaar, niet voor iemand die geen depressies kent, wel voor iemand die opgroeide in een vergelijkbare plattelandsomgeving, waar een stadsmeisje al indruk kan maken omdat zo’n meisje een andere wereld binnenbrengt.
Geloof speelt ook een rol. Op de katholieke school van haar kinderen bidt de directeur voor de leerlingen. ‘Of je gelooft of niet, weten dat iemand voor je bidt voelt verlichtend.’
Dat zinnetje gaat buiten de depressie om, het geeft aan dat in de kleine samenlevingen die er buiten de Randstad bestaan nog waarde gehecht wordt aan wat iemand anders voor je doet, of het nou een gedachte is of een gebed.
Corona vraagt om aanpassingsvermogen. Wolters zegt: ‘Toen het aanpassingsvermogen werd uitgedeeld stond ik niet vooraan.’
Verderop gaat het over een ‘intermezzo van nabijheid.’ Mooi gezegd. Eventjes samen zijn. Corona is inmiddels een vaste waarde, depressie voor sommige mensen ook. Ik kom daar niet dichtbij. Ik ben te langdurig op afstand gezet om nog vrijuit over depressie te kunnen lezen. Ik ga er geen gesprek over aan, ik neem zelf afstand. Dat doe ik overigens van Octavie Wolters niet, anders had ik haar niet gevraagd om in november te komen voorlezen bij de Vertellers van Helmers (https://www.janvanmersbergen.nl/de-vertellers-van-helmers/).
Lize Spit noemt Slot een helder en ontroerend boek. Ben ik het helemaal mee eens, omdat ik die ontroering voel en omdat ik weet dat wanneer het delen van persoonlijke verhalen ontroering bij me oproept ik toch dichterbij ben gekomen. Dat is wat je wilt als iemand in je omgeving in een depressie zit, dat is tevens hetgeen vrijwel onmogelijk is. Wolters doorbreekt dat.
Aan het einde van Slot kruipt Wolters uit de depressie en blijkt de ene algehele lockdown de andere individuele lockdown te kunnen verlichten. Het boek is dan af. Achteraf daarover schrijven brengt vragen met zich mee die gaan over tijd en afstand, daar gaat schrijven altijd over, en deze dagboekvorm is speciaal en naar binnen gekeerd en lijkt vooral zenden, maar dat is het niet. Wolters deelt veel, en daar zijn lezers voor nodig.
‘Het was allemaal goed, want het was voor mij goed,’ stelt ze als conclusie.
Dat klopt niet. Het boek is niet goed omdat het voor haar goed was, op die manier had het als dagboek in de la kunnen blijven liggen. Het boek ontstijgt het dagboek juist omdat het veel beter is dan de meeste dagboeken en omdat er contact gemaakt wordt tussen schrijver en lezer.
Dat zijn precies de waarden die bij schrijven belangrijk zijn en die Wolters goed aan kan. Ongeacht in welke depressie ze zit, ze houdt zelf de tel bij, zal de lezer vertrouwen hebben in haar capaciteiten als schrijver. Daarom is dit een goed boek.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen