‘Geduld, jij?’ vroeg een vriend.

‘Ja,’ zei ik. ‘Dat heb ik sinds kort.’

Hij moest heel erg lachen.

Het ging over mijn schrijfworkshop. Tijdens de les bleef mijn laptop hangen, dus ik moest dat ding opnieuw opstarten, en dat duurde tien minuten. Ik zei tegen mijn vriend: ‘De deelnemers waren heel geduldig, net als ik.’ Toen moest-ie dus heel hard lachen.

Nu doet alles het weer, soms is het goed voor een computer om even opnieuw aangezwengeld te worden, maar dat wachten tot dat apparaat weer functioneerde was vreselijk. Ik kreeg het warm. Ik wilde de laptop van mijn dochter gaan halen. Ik wilde Zoom op mijn telefoon zetten. Wat zou sneller zijn?

Uiteindelijk konden we verder. Ik zei sorry, want ook geduldige mensen weten hoe vreselijk het is om op iemand te moeten wachten, en ongeduldige mensen weten hoe het is om anderen te laten wachten.

Het moeilijkste aan het schrijven van een roman is het wachten. Momenteel werkt de uitgeverij hard aan de laatste redactieronde. Dat weet ik, maar al duurt het een halve ochtend, het is te lang. Bij redactie voor mijn eigen werk komt mijn ongeduld het meest naar boven. De oplossing: met iets anders beginnen. Dat verklaart wel waarom ik het ene boek na het andere schrijf; het wachten staat me niet zo aan.

Maar toch is er wel iets veranderd. Tegenwoordig ben ik voor mijn gevoel erg geduldig bij stoplichten, in de rij voor de kassa van de supermarkt, in de trein, als de bodem van mijn glas bereikt is op een kalm moment in de avond, als mijn zoontje zegt dat hij straks zijn broodje wil eten, en niet nu. Ik reageer iets rustiger.

Het ongeduld is ook een thema in mijn nieuwe roman, waarin er een personage opgevoerd wordt dat wel wat weg heeft van mezelf. Omdat iemand anders het verhaal vertelt is die roman een spiegel, net zoals mijn vriend die nog heel goed weet hoe ongeduldig ik kan zijn. Het verhaal komt binnenkort weer bij me terug, dan maak ik de cirkel van geduld en ongeduld rond.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen