Afgelopen week volgde ik toch weer een beetje het wielrennen, terwijl ik al jaren niet meer naar wedstrijden kijk. Daar zit iets heel eenvoudigs achter: ongeloof.
Nu is van een Oostenrijkse wielrenner bekend geworden dat hij bloeddoping gebruikte. Hij deed dat in 2017. Hij deed dat in de Giro d’Italia. Hij reed in de ploeg van de Nederlandse winnaar Dumoulin.
Dat nieuws is niet ongelofelijk, de volledig voorspelbare en onderling inwisselbare reacties zijn ongelofelijk.
Van het iconische dopingfenomeen uit Amerika, Lance Armstrong, mijn voorbeeld en tevens het einde van mijn liefde voor de wielersport, zijn alle Touroverwinningen geschrapt. Hij gebruikte doping, en hij hield er een strak netwerk van zwijgen en bedreigen op na dat ervoor moest zorgen dat hij die overwinningen kon halen zonder dat iets over de doping bekend werd. Waarom bestaan er na Armstrong nog wieleruitslagen?
De Raboploeg fietste een jaar of tien geleden opeens erg hard rond. Zelfs een Deen (let op: een Oostenrijker, een Deen, waren dat wielerlanden?) kon de gele trui dragen en opeens bij een tijdrit in de Tour bij de eerste vijftien rijden. Hij had nog nooit bij de eerste 75 gereden in een tijdrit. Winnen valt op. Prestaties vallen op. Ze willen winnen, ze willen presteren, deze mensen verdienen daar hun geld mee.
Deze optelsommetjes zijn ongelofelijk voorspelbaar.
Ploegen verdienen ook hun geld met winnen, want naamgevers aan ploegen steken echt geen miljoenen in een laatste plaats.
Als een Engelse ploeg (ook al zo’n gerenommeerd wielerland) jarenlang de grote ronde domineert met een groepje renners die vrijwel allemaal astma hebben, dan kijkt niemand daar vreemd van op, ook niet nadat het verhaal van de Amerikaanse ploeg van een postbedrijf waarin Armstrong reed volledig bekend werd.
Als nu een Nederlandse ploeg, gesponsord door een supermarkt die ook Max Verstappen steunt, opeens het peloton in de greep houdt met een Slowaak (wat zijn er tegenwoordig toch veel wielerlanden) en een paar Hollanders die plots veel harder rijden dan de rest, die op hun sloffen ploegentijdritten winnen met een veldrijder en een paar andere getransformeerde knechten, dan stelt niemand vragen.
Dat hoeft ook niet. Vragen stellen deed Mart Smeets aan Lance Armstrong. Hij kreeg een antwoord: ‘Nee hoor, ik heb niks gedaan.’
‘Dat is goed,’ zei Mart Smeets.
Ook journalisten verdienen aan deze sport. In de zomer zijn zeker twee pagina’s van de krant in komkommertijd gevuld met wielrennen, als er een Nederlander voorop rijdt drie. Er zijn echt nog veel mensen die dit lezen.
Het antwoord op de vragen is van alle tijden. Ook nu. Als er in een ploeg die gesponsord wordt door een vakantiebedrijf een Oostenrijker gesnapt wordt vervallen alle betrokkenen in dezelfde modus: we zijn boos op hem, want hij heeft naar de doping gegrepen.
Natuurlijk is dat de waarheid die verteld moet worden. In feite zijn de betrokkenen boos op hem omdat hij zich heeft laten betrappen. De eigen belangen dreigen in gevaar te komen. Niemand hoeft de betrokkenen vragen te stellen. Een interview met Dumoulin levert een vooraf in te vullen tekst op: ‘Hij zat fout en ik dacht dat ik hem kon vertrouwen.’
Iedere dag rijden er in een wedstrijd tweehonderd slachtoffers rond die heel graag die rol aannemen, want een dader bestaat alleen als hij zich laat snappen.
Die ene wielrenner, in een peloton tussen tweehonderd andere renners, en niet eens de beste of de snelste, bedoezelt de wielersport. Schande. Het is een treurig fenomeen van zwijgen, liegen, de schuld afschuiven, en van gesloten gelederen die tot in de organisaties van wedstrijden en zelfs dopingcontroles verweven is.
De beerput lijkt weer open te gaan. Wat er eigenlijk gebeurt: de beerput blijft onveranderlijk dicht.
Bewijzen. Er wordt – en dat is het beste argument om je achter te verschuilen – gevraagd om bewijzen, want het is niet zo netjes om deze hardwerkende sporters die uren per dag op een smal zadeltje moeten zitten, te beschuldigen.
Het gaat in deze sport alleen om bewijzen wanneer de belangen van de betrokkenen gediend worden. Bewijzen? Ik zou zeggen: Hou je moeder voor de gek.
Ga thuis op de bank bij mama zitten vertellen dat de Oostenrijker in jouw ploeg het niet helemaal goed heeft gedaan. Erg hè. Kijk naar het gezicht van je eigen moeder, die haar fietsende zoon wil vertrouwen, maar zelf inmiddels ook wel weet in wat voor wereld die arme jongen terecht is gekomen. Maar verder is iedereen in deze sport in orde.
Van Michael Boogerd begrijp ik heel goed dat hij, bij de Rabobank, doping gebruikte en zijn mond hield, en ik vind het knap dat hij het verhaal inmiddels verteld heeft, al duurde het wat lang. Wat niet te begrijpen is: zijn moeder geloofde hem ooit ook.
Aan een sport deelnemen die totaal ongeloofwaardig is, een betrokkene worden in dat circus – en dat geldt ook voor serieuze journalisten die schrijven over de moraal van de renners en die een kijkje achter de schermen van een ploeg waar de renners in een bus broodjes pindakas zitten te eten, renners van ruim een meter tachtig die amper zestig kilo wegen, politici die hijgerig klaarstaan om een Giro-winnaar te feliciteren, fans die met de vlag zwaaien maar andere vlaggen bespugen omdat uit dat land iemand komt die wel doping gebruikt heeft, rekenmeesters die kunnen zien dat ze tegenwoordig in tijdritten zonder doping veel harder rijden dan in de tijd van Armstrong, maar dat ligt aan de verbeterde fietsen en de luchtweerstand – is een bijzondere keuze.
Ik sprak ooit Thomas Dekker. Ontzettend aardige open jongen, want hij vertelde alles, zoals hij ook in zijn boek alles vertelde. Hij zei: ‘Ik heb het allemaal verkloot,’ en ik begreep waar hij het over had. Het verhaal was niet alleen zijn verhaal en zijn gesjoemel, het was in die wereld stappen terwijl je ook iets anders kunt gaan doen. Dat verhaal is nodig.
De keuze niet naar deze sport te kijken blijft moeilijk. De mooiste oneerlijke sport, in de zin van: hard fietsen vraagt minder van degene die achter iemand rijdt dan van degene die voorop rijdt. Dat is een oneerlijke basis die deze sport maakt en die tactiek vraagt, slimheid.
Helaas hebben oneerlijkheid en slimheid op andere vlakken de sport overgenomen en is daar niets aan te doen. Het doet pijn nog naar wielrennen te kijken, al die mensen die elkaar voor de gek houden.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen